Update
Uitspraken van 5 mei 2026 tot 18 mei 2026
Redactie: J.H. Gerards, H. Morre, J. Krommendijk, S. Lambrecht, P. Ölçer, B. Aarrass, L.E. Burgers, P. Cannoot, L.R. Glas, C. Mak, D.A.G. van Toor en C. Van de Graaf.
Geachte lezer,
Voor u ligt nieuwsbrief 9 van EHRC Updates. In deze nieuwsbrief treft u een overzicht van de nieuwste uitspraken aan.
Veel leesplezier gewenst!
De redactie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
-
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In verband met plannen voor de ontwikkeling van een industrieterrein is in 1976 zo’n 7000 m2 grond van Nikolaou e.a. onteigend. Daarvan is maar 3000 m2 echt benut. Voor de resterende grond zijn vervolgens steeds nieuwe plannen ontwikkeld, maar geen daarvan is ooit gerealiseerd. Het EHRM overweegt dat het bij onteigening van belang is dat er voldoende concrete voornemens bestaan voor de inzet van de grond. Als die er niet zijn, zoals hier, moet worden aangenomen dat geen algemeen belang is gediend met de onteigening. Art. 1 EP is dan ook geschonden.
30-04-2026
(Zaaknaam: Nikolaou e.a. t. Cyprus, ECLI:CE:ECHR:2026:0430JUD003706818, EHRC-2026-0121) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Mastey is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens drugsbezit en -handel. Tijdens de zitting in hoger beroep toonde hij zodanig wangedrag dat de zittingsrechter besloot hem uit de zaal te verwijderen. Weliswaar lijkt de rechter hem niet expliciet te hebben gewaarschuwd dat dit het gevolg zou kunnen zijn, maar het EHRM acht het in de omstandigheden van het geval wel redelijk dat deze beslissing werd genomen. Art. 6 EVRM is dan ook niet geschonden. De klacht dat de cassatierechter te kort zou hebben gemotiveerd dat Mastey terecht niet was teruggebracht toen uitspraak werd gedaan, is wegens kennelijke ongegrondheid niet-ontvankelijk.
30-04-2026
(Zaaknaam: Mastey t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2026:0430JUD003004923, EHRC-2026-0117) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Een gespecialiseerd team kreeg opdracht om Benladghem te arresteren. Ter voorbereiding vond een briefing plaats, waarbij werd gewezen op de gewelddadigheid en het militaire verleden van Benladghem. Tijdens de operatie stelde Benladghem zich dreigend op en richtte hij een pistool op een politieagent. Deze loste uit zelfverdediging een dodelijk schot. Het EHRM overweegt dat de voorbereiding en uitvoering van de operatie zorgvuldig waren en dat zorgvuldig onderzoek is gedaan naar de toedracht. Het kan instemmen met de nationale beoordeling dat is geschoten uit zelfverdediging en dat het gebruikte geweld absoluut noodzakelijk was. Art. 2 EVRM is dan ook niet geschonden.
30-04-2026
(Zaaknaam: Benladghem t. België, ECLI:CE:ECHR:2026:0430JUD000541422, EHRC-2026-0109) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Het Bulgaars Helsinki Comité en zijn voorzitter – Kanev – hebben in 2021 de bevoegde minister zonder succes verzocht om hen te informeren over surveillance en inlichtingenverzameling jegens hen door de Bulgaarse inlichtingen- en veiligheidsdienst. Het EHRM acht geheimhouding op zichzelf begrijpelijk, maar wijst erop dat dan wel voldoende andere waarborgen voor legitieme inlichtingenverzameling en toezicht moeten bestaan. De verschillende instrumenten die de Bulgaarse wetgeving daarvoor biedt schieten tekort in reikwijdte en/of functionaliteit, zodat art. 8 EVRM is geschonden.
28-04-2026
(Zaaknaam: Kanev en Bulgarian Helsinki Committee t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2026:0428JUD004586422, EHRC-2026-0115) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Aan Antonov is in 1996 een levenslange gevangenisstraf opgelegd. Vanwege delicten die hij als gevangene heeft gepleegd is hij later nog een aantal keren veroordeeld, meest recent in 2021. Daardoor is volgens Estse wetgeving het moment waarop de redelijkheid van de levenslange straf wordt herbeoordeeld verschoven naar 25 jaar na de laatste veroordeling, dus naar 2046. Het EHRM acht dit systeem al te rigide, omdat daarin geen rekening kan worden gehouden met de duur van de al uitgezeten straf of aard en ernst van de nieuwe strafbare feiten. Art. 3 EVRM is daardoor geschonden, al betekent dat geen onmiddellijke vrijlating.
28-04-2026
(Zaaknaam: Antonov t. Estland, ECLI:CE:ECHR:2026:0428JUD004872122, EHRC-2026-0108) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Zeven Venezolaanse vluchtelingen zijn in 2019 onderschept. Hun asielverzoeken zijn afgewezen en zij zijn in vreemdelingenbewaring genomen met het oog op uitzetting. In juni 2019 raakten zij gewond door rubberkogels die de politie gebruikte om een gevangenisopstootje te onderdrukken. Het EHRM oordeelt dat naar dat incident te weinig onderzoek is gedaan en dat niet is gebleken dat het geweld proportioneel was; art. 3 EVRM is dan ook geschonden. Ook de toegang tot rechtsbescherming tegen de vreemdelingenbewaring schoot tekort, in strijd met art. 5 lid 4 EVRM. De klachten over art. 5 lid 1 en 4 P4 EVRM zijn niet-ontvankelijk.
21-04-2026
(Zaaknaam: Y.F.C. e.a. t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2026:0421JUD002132519, EHRC-2026-0123) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In verband met het neerhalen van de MH17-vlucht in Oekraïne zijn de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing en de Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing bij elkaar geroepen. De NOS, RTL en de Volkskrant hebben vanwege hun berichtgeving over de ramp geprobeerd toegang te krijgen tot de notulen van de vergaderingen van deze commissies en andere overheden. Dit is geweigerd, onder meer vanwege de vertrouwelijkheid van de gedachtewisselingen. Het EHRM oordeelt dat art. 10 EVRM weliswaar van toepassing is, maar dat de weigeringen beperkt in omvang waren, voldoende waren gemotiveerd en met voldoende waarborgen waren omkleed. Art. 10 EVRM is dan ook niet geschonden.
21-04-2026
(Zaaknaam: Nederlandse Omroep Stichting e.a. t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2026:0421JUD002006618, EHRC-2026-0118) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
F.B. en zes anderen zitten een levenslange gevangenisstraf uit in Nederland. In 2017 is naar aanleiding van eerdere EHRM-uitspraken een nieuwe systematiek ingevoerd voor de herbeoordeling van dergelijke straffen na 25 jaar door het Adviescollege levenslanggestraften. Het EHRM overweegt dat de voor toegang tot een reïntegratietraject of gratie gestelde criteria transparant en in overeenstemming met de EHRM-rechtspraak zijn. Het systeem is zorgvuldig ingericht en er is rechtsbescherming mogelijk bij de civiele rechter. Het systeem is daarmee in overeenstemming met art. 3 EVRM, net als de toepassing ervan in de zeven voorgelegde gevallen.
21-04-2026
(Zaaknaam: F.B. e.a. t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2026:0421JUD002815718, EHRC-2026-0114) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
E.H. heeft op vijftienjarige leeftijd een schoolgenoot vermoord. E.H. was bereid bij de politie een bekennende verklaring afleggen, maar wilde niet dat zijn moeder daarbij aanwezig was. Vervolgens heeft hij gesteld dat hij te weinig informatie heeft gekregen over de mogelijkheden om zijn moeder aanwezig te laten zijn of met haar te overleggen. Het EHRM overweegt dat E.H. ruime informatie heeft gekregen over zijn rechten en de aanwezigheid van zijn moeder, net als zij. Er was daarom geen reden om de bekentenis uit te sluiten als bewijs en art. 6 lid 1 EVRM is niet geschonden.
21-04-2026
(Zaaknaam: E.H. t. Duitsland, ECLI:CE:ECHR:2026:0421JUD002591421, EHRC-2026-0112) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Sanader is vervolgd en veroordeeld wegens corruptie. Bij het EHRM klaagt hij over een gebrek aan onpartijdigheid van rechter R.M., die in een eerdere strafzaak tegen Sanader als advocaat optrad voor een medeverdachte. Het EHRM acht het onwaarschijnlijk dat die eerdere betrokkenheid bij een andere zaak de onpartijdigheid van R.M. heeft aangetast en verklaart de zaak niet-ontvankelijk. Dat geldt anders bij een andere verdachte, Mlinarević, die heeft gesteld dat de zoon van R.M. betrokken was als advocaat van een derde verdachte in dezelfde zaak. In die zaak (nr. 24406/21) stelt het EHRM een schending van art. 6 EVRM vast.
24-03-2026
(Zaaknaam: Sanader t. Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2026:0430DEC002757721, EHRC-2026-0122) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Suleyman Mohamed Hussein is de zoon van Eyni Mude, die in 2011 een asielvergunning heeft gekregen. Een gezinsherenigingsverzoek is afgewezen omdat Mohamed Hussein inmiddels meerderjarig was. Hoewel hij als jongvolwassene werd aangemerkt, kwam hij niet in aanmerking voor het soepeler jongvolwassenenbeleid omdat hij korte tijd gehuwd was geweest. Het EHRM overweegt dat Nederland hier vrijwillig de reikwijdte van art. 8 EVRM heeft uitgebreid, maar dat het zaken die onder die uitbreiding vallen niet kan beoordelen. Nu geen buitengewone afhankelijkheidsrelatie is vastgesteld kan het hier alleen oordelen dat art. 8 EVRM niet van toepassing is. De zaak is daarom niet-ontvankelijk.
10-03-2026
(Zaaknaam: Eyni Mude en Suleyman Mohamed Hussein t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2026:0310DEC004787820, EHRC-2026-0113) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Mahamud heeft sinds 2009 een verblijfsvergunning asiel. Hij heeft zijn negen kinderen en pleegkind in het kader van nareis kunnen laten overkomen. Een later verzoek om gezinshereniging met zijn (toen al meerderjarige) broer is afgewezen. Het EHRM constateert dat voldoende is gebleken dat er geen bijzondere afhankelijkheidsrelatie bestond tussen Mahamud en zijn broer, noch in medisch opzicht, noch in financieel opzicht. Daarom is art. 8 EVRM niet van toepassing en is de klacht daarover niet-ontvankelijk.
10-03-2026
(Zaaknaam: Abdi Ali Mahamud t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2026:0310DEC006453419, EHRC-2026-0107)
Hof van Justitie van de Europese Unie
-
Hof van Justitie van de Europese Unie
Bij niet of te laat afgedragen btw kan in Litouwen niet alleen een boete worden opgelegd, maar moet ook vertragingsrente worden betaald. Dergelijke vertragingsrente is vanwege de preventieve en compenserende aard geen repressieve sanctie, zodat art. 49 lid 3 Hv hierop niet van toepassing is. Wel moet een regeling voor vertragingsrente voldoen aan het algemene evenredigheidsbeginsel. Dat kan het geval zijn als de regeling het legitieme doel van het innen en fraudebestrijding op een geschikte en noodzakelijke manier nastreeft. Dat wordt gewerkt met forfaitaire bedragen maakt een vertragingsrenteregeling niet noodzakelijk disproportioneel, zeker niet als er een (beperkte) hardheidsclausule is.
30-04-2026
(Zaaknaam: Nekilnojamojo turto valdymas, ECLI:EU:C:2026:356, EHRC-2026-0120) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
AC is vervolgd wegens laster, maar de vervolgingsbeslissing is vernietigd door de rechter. Na hoger beroep door het openbaar ministerie is de zaak terugverwezen, met hetzelfde resultaat. In een tweede hoger beroep heeft de rechter de zaak opnieuw terugverwezen, waarbij beweerdelijk de onschuldpresumptie is geschonden. Het HvJ EU oordeelt dat richtlijn 2016/343 en art. 48 lid 1 Hv niet van toepassing zijn op voorbereidingsprocedures, maar legt de relevante bepalingen wel uit. Het geeft de nationale rechter mee dat die ze in het licht van de EVRM-rechtspraak moet uitleggen en reikt de daarvoor relevante criteria aan.
30-04-2026
(Zaaknaam: Kotaňák, ECLI:EU:C:2026:358, EHRC-2026-0116) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
Drie Ieren worden in het VK strafrechtelijk vervolgd en in dat verband is gevraagd om hun overlevering. Zij hebben in het VK al een straf opgelegd gekregen wegens ‘contempt of court’ in het kader van deze vervolging. Volgens de Ieren zou overlevering daardoor kunnen leiden tot strijd met het specialiteitsbeginsel. Het HvJ EU oordeelt dat het specialiteitsbeginsel geen grondrecht is en dus geen overleveringsbeletsel oplevert. Wel is het een beschermwaardig recht in de zin van art. 47 Hv, zodat bij overlevering verzekerd moet zijn dat de rechter in de uitvaardigende staat voldoende bescherming aan dit beginsel kan bieden.
23-04-2026
(Zaaknaam: Boothnesse, ECLI:EU:C:2026:332, EHRC-2026-0110) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
De Stichting Rookpreventie Jeugd heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit gevraagd om handhavend op te treden ten aanzien van schadelijke stoffen in filtersigaretten. In de procedure daarover is de vraag opgekomen of de Stichting toegang moet krijgen tot de ISO-normen die de meetmethoden bepalen. Het HvJ EU beantwoordt die vraag bevestigend vanwege het internemarktbelang en het volksgezondheidsbelang dat de Stichting dient. In al dit soort gevallen moeten de normen vrij toegankelijk worden gemaakt middels een algemene, doeltreffende, kosteloze en niet-discriminerende toegangsregeling. Het belang van openbaarheid van normen stijgt namelijk uit boven dat van bescherming van IE-rechten van de normalisatie-instelling.
21-04-2026
(Zaaknaam: Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit e.a., ECLI:EU:C:2026:327, EHRC-2026-0119) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
Hongaarse wetgeving uit 2021 bevat strenge maatregelen tegen ‘pedofiele delinquenten’ en ter bescherming van kinderen, die feitelijk allerlei uitingen, reclame en socialemediacontent verbiedt die gericht is tegen niet-cisgender personen. Het HvJ EU bepaalt in een infractieprocedure dat deze wetgeving stigmatiserend is en leidt tot ernstige sociale uitsluiting of zelfs haatdragend gedrag. Daarmee gaat de wetgeving lijnrecht in tegen verschillende kernwaarden van de Unie en een aantal grondrechten, waaronder het discriminatieverbod en het recht op menselijke waardigheid, zoals vastgelegd in het Handvest en in art. 2 VEU. Die laatste bepaling is in zaken als deze juridisch afdwingbaar, ook via een inbreukprocedure.
21-04-2026
(Zaaknaam: Commissie t. Hongarije (waarden van de Unie), ECLI:EU:C:2026:326, EHRC-2026-0111)