Update
Uitspraken van 21 april 2026 tot 5 mei 2026
Redactie: J.H. Gerards, H. Morre, J. Krommendijk, S. Lambrecht, P. Ölçer, B. Aarrass, L.E. Burgers, P. Cannoot, L.R. Glas, C. Mak, D.A.G. van Toor en C. Van de Graaf.
Geachte lezer,
Voor u ligt nieuwsbrief 8 van EHRC Updates. In deze nieuwsbrief treft u een overzicht van de nieuwste uitspraken aan.
Veel leesplezier gewenst!
De redactie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
-
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Na de echtscheiding van Novák wilde de moeder als enige het ouderlijk gezag verwerven. Zij verhuisde met de kinderen van Brno naar Praag, nog voor over het ouderlijk gezag werd besloten. Gelet op de zo ontstane feitelijk situatie kende de rechter het gezag aan de moeder toe en kreeg Novák alleen een beperkte omgangsregeling. Het EHRM oordeelt dat te veel waarde is gehecht aan een door de moeder bewust en onrechtmatig gecreëerde situatie, waardoor haar obstructieve gedrag werd bevestigd. Te weinig is gekeken naar het belang van Novák en de kinderen. Dit levert een schending van art. 8 EVRM op.
09-04-2026
(Zaaknaam: Novak t. Tsjechië, ECLI:CE:ECHR:2026:0409JUD000665624, EHRC-2026-0105) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Vier asielzoekers hebben na het indienen van hun asielverzoek tussen 111 en 338 dagen op straat moeten leven. Zowel de nationale rechter als het EHRM hebben de staat opgedragen hieraan iets te doen, maar pas na tussen 21 en 261 dagen na zo’n maatregel is daaraan gevolg gegeven. Het Hof erkent de moeilijkheden bij de opvang van asielzoekers, maar oordeelt dat de omstandigheden hier een vernederende behandeling opleverden in de zin van art. 3 EVRM. Daarnaast zijn het nationale bevel en de EHRM-interimmaatregel te traag ten uitvoer gelegd, waardoor ook art. 6 resp. art. 34 EVRM zijn geschonden.
09-04-2026
(Zaaknaam: M.V. e.a. t. België, ECLI:CE:ECHR:2026:0409JUD005283622, EHRC-2026-0103) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
H.D. kwam als 13-jarige asielzoeker in Italië aan en werd daar in een ontvangstcentrum voor volwassenen ondergebracht. Hoewel hij een verblijfsvergunning voor minderjarigen kreeg, is hij daar vijf maanden vastgehouden. Het EHRM oordeelt dat er voor deze detentie geen legitieme grond was, nu de detentie niet was gericht op uitzetting of deportatie en deze ook niet in overeenstemming was met nationaal recht. Daarnaast heeft de procedure die H.D. hiertegen aanspande te lang geduurd. Het ontvangstcentrum was verder ongeschikt voor de opvang van minderjarigen. Dit maakt dat art. 3, 5 lid 1 (f) en lid 4 en art. 13 EVRM zijn geschonden.
09-04-2026
(Zaaknaam: H.D. t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2026:0409JUD004164523, EHRC-2026-0102) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Tijdens zijn gevangenisstraf is bij Cekić vastgesteld dat hij tuberculose had. Na een zware antibioticabehandeling is hij daarvan hersteld. Hij heeft gesteld dat hij de tbc-infectie moet hebben opgelopen door de slechte detentieomstandigheden, maar het Hof constateert dat hij in een recent gerenoveerde vleugel vastzat die aan de eisen van art. 3 EVRM voldeed. Weliswaar is bij aanvang van de detentie geen preventieve screening op tbc uitgevoerd en is onduidelijk hoe hij is besmet, maar de gevangenisautoriteiten hebben meteen na de diagnose snel en adequaat gehandeld. Daardoor is geen sprake van tekortschietende medische zorg; art. 3 EVRM is niet geschonden.
07-04-2026
(Zaaknaam: Cekic t. Servië, ECLI:CE:ECHR:2026:0407JUD001908320, EHRC-2026-0101)
Hof van Justitie van de Europese Unie
-
Hof van Justitie van de Europese Unie
Tegen Pătrașcu Brâncuși loopt een nationale strafzaak op aanwijzing van het Europees Openbaar Ministerie. Rekwirant heeft tegen de aanwijzing vanuit het EOM een direct beroep ingesteld bij het Gerecht, maar dat heeft zich onbevoegd verklaard omdat het gaat om een procedurele handeling. Het HvJ EU acht deze redengeving niet juist, maar overweegt dat hier niettemin geen grond bestaat voor een direct beroep. Reden hiervoor is dat het EOM en nationaal strafrecht nauw verweven zijn en deze kwestie bij de nationale rechter had moeten worden aangekaart; deze had daarover prejudiciële vragen bij het HvJ EU kunnen stellen. Het beroep is daarom ongegrond.
16-04-2026
(Zaaknaam: Mincu Pătrașcu Brâncuși t. Europees parket, ECLI:EU:C:2026:302, EHRC-2026-0104) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
Twee bandleden van Kraftwerk procederen tegen de componisten van ‘Nur mir’, omdat dit nummer een fragment of sample van een van hun eigen nummers zou bevatten. Volgens de componisten gaat het om een ‘pastiche’ en is het opnemen daarvan niet strijdig met de IE-rechten van de Kraftwerkleden. Het HvJ EU geeft een definitie van het begrip ‘pastiche’ waarin het aangaan van een creatieve dialoog met het oorspronkelijke werk centraal staat. Met die definitie beoogt het recht te doen aan het evenwicht tussen intellectueel-eigendomsrechten (art. 17 Hv) en de vrijheid van meningsuiting (art. 11 Hv) en de kunsten (art. 13 Hv).
14-04-2026
(Zaaknaam: Pelham (begrip ‘pastiche’), ECLI:EU:C:2026:290, EHRC-2026-0106)