Update
Uitspraken van 7 april 2026 tot 20 april 2026
Redactie: J.H. Gerards, H. Morre, J. Krommendijk, S. Lambrecht, P. Ölçer, B. Aarrass, L.E. Burgers, P. Cannoot, L.R. Glas, C. Mak, D.A.G. van Toor en C. Van de Graaf.
Geachte lezer,
Voor u ligt nieuwsbrief 7 van EHRC Updates. In deze nieuwsbrief treft u een overzicht van de nieuwste uitspraken aan.
Veel leesplezier gewenst!
De redactie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
-
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Een grote groep gedetineerden heeft tegenover mensenrechtenorganisatie KHRPG klachten geuit over de gevangenisomstandigheden. De KHRPG heeft deze klachten namens hen aangebracht bij het EHRM, maar vervolgens hebben – na interventie van de gevangenisautoriteiten – veel klagers hun klachten weer ingetrokken. Het EHRM leidt uit de situatie af dat zij dit zullen hebben gedaan na ongepaste druk, zodat art. 34 EVRM is geschonden. Daarnaast heeft Oekraïne onvoldoende weerlegd dat de omstandigheden zo slecht waren als klagers hebben gesteld en waren er geen rechtsbeschermingsmogelijkheden. Ook art. 3 en 34 EVRM zijn daarom geschonden.
02-04-2026
(Zaaknaam: Ukrayinskyy e.a. t. Oekraïne, ECLI:CE:ECHR:2026:0402JUD004875119, EHRC-2026-0097) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
De ‘Word of Life’-kerk werd in verschillende mediapublicaties gekwalificeerd als een ‘ sekte’. De kerk spande daarover zonder succes een smaadprocedure aan. Het cassatieberoep werd afgewezen omdat het niet expliciet tegen de uitspraak in hoger beroep was gericht. Die uitleg was volgens het EHRM excessief formalistisch en strijdig met art. 6 EVRM, omdat uit het cassatieschrift als geheel voldoende bleek dat het was gericht op het arrest in hoger beroep. Omdat de rechters zelf de kerk niet als sekte hebben gekwalificeerd, maar alleen de mediakwalificatie hebben aangehaald, is de klacht over schending van de godsdienstvrijheid kennelijk ongegrond.
02-04-2026
(Zaaknaam: Word of Life Church of of Evangelical Faith in Armenia en Simonyan t. Armenië, ECLI:CE:ECHR:2026:0402JUD003081713, EHRC-2026-0098) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Historicus, mensenrechtenactivist en Memorial-voorzitter Dmitriyev is strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld vanwege kinderporno. Hij had naaktfoto’s op zijn computer van zijn elfjarige adoptiedochter. Dmitriyev erkende dat hij de foto’s gemaakt had, maar stelde dat hij dit om objectieve redenen had gedaan. Hoewel dat niet ondenkbaar is, was er daarmee volgens het EHRM voldoende aanleiding om hem in voorlopige hechtenis te nemen. De verlengingen van het voorarrest waren wel in strijd met art. 5 EVRM en de procedure vertoonde met art. 6 EVRM strijdige tekortkomingen. Van een oneigenlijk motief in de zin van art. 18 EVRM is onvoldoende bewijs gevonden.
31-03-2026
(Zaaknaam: Yuriy Dmitriyev t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2026:0331JUD004793417, EHRC-2026-0100) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
X heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik door haar stiefvader toen ze 13 jaar was. Er is onderzoek ingesteld, maar X is daarin niet als slachtoffer aangemerkt. Het EHRM oordeelt dat de werkwijze van politie en justitie niet in het belang van het kind is geweest. Er is te weinig waarde gehecht aan het aannemelijke feitenrelaas van X en te weinig rekening gehouden met haar kwetsbare situatie. Dit is in strijd met art. 3 en 8 EVRM. Het Hof acht niet bewezen dat dit stelselmatig vaker voorkomt bij meisjes dan bij jongens, zodat de art. 14 EVRM-klacht kennelijk ongegrond is.
31-03-2026
(Zaaknaam: X t. Georgië, ECLI:CE:ECHR:2026:0331JUD003564022, EHRC-2026-0099) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Makki lijdt aan schizofrenie en is na een geweldsincident gedwongen opgenomen in een psychiatrische inrichting. Daar heeft hij een staflid aangevallen, waarop een dwangmaatregel is getroffen. Daardoor is hij elf dagen vastgebonden geweest aan een bed, namelijk tot het moment waarop hij kon worden overgeplaatst naar een extra beveiligde inrichting. Het EHRM oordeelt dat het treffen van de dwangmaatregel in de omstandigheden gerechtvaardigd was en ook voldoende is beoordeeld door een rechter. De lange duur ervan is echter niet te billijken en maakt dat de maatregel toch in strijd is met art. 3 EVRM.
31-03-2026
(Zaaknaam: Makki t. Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2026:0331JUD001029723, EHRC-2026-0094) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
De Afghaanse D.M. is in 2015, toen 15 jaar oud, naar Zweden gereisd. Zijn asielverzoeken zijn afgewezen, maar het EHRM besluit dat hij niet naar Afghanistan kan worden uitgezet zonder risico van een art. 3 EVRM-schending. Op zichzelf is de Afghaanse mensenrechtensituatie niet zo slecht dat geen enkele uitzetting mogelijk is, ook niet voor leden van de Hazari-minderheid. D.M. lijkt zich echter ook te hebben afgekeerd van de islam en is verwesterd. Daardoor zal het onmogelijk zijn om zich aan te passen aan het repressieve Talibanregime en de nu geldende, streng gehandhaafde religieuze en morele normen.
26-03-2026
(Zaaknaam: D.M. t. Zweden, ECLI:CE:ECHR:2026:0326JUD003269423, EHRC-2026-0093)
Hof van Justitie van de Europese Unie
-
Hof van Justitie van de Europese Unie
Een procespartij heeft geprobeerd de Poolse rechter S.C. te wraken omdat zij benoemd is door de Poolse raad voor de rechtspraak (KRS). Volgens eerdere rechtspraak is daardoor twijfel mogelijk over haar onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Het HvJ EU overweegt dat Polen een wettelijk kader moet vaststellen om het onderliggende, structurele probleem bij de benoemingen op te lossen. In het concrete geval moet de verwijzende rechter vaststellen of er inderdaad aanleiding was om S.C. te wraken, waarbij (behalve met de benoemingsprocedure) ook rekening moet worden gehouden met andere contextuele factoren die twijfel kunnen rechtvaardigen over S.C.’s onafhankelijkheid en onpartijdigheid.
24-03-2026
(Zaaknaam: Rzecznik Praw Obywatelskich, ECLI:EU:C:2026:242, EHRC-2026-0096) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
Op grond van de Cilfit-jurisprudentie zijn nationale hoogste rechters verplicht om over de uitleg en gelding van het Unierecht prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. Dit Hof verduidelijkt nu dat hoogste rechters altijd een specifieke en concrete motivering moeten geven als zij géén vragen voorleggen. Dat geldt ook als partijen niet hebben verzocht om een prejudiciële vraag te stellen of bij ambtshalve toepassing van Unierecht. Verkorte motivering is alleen mogelijk als het Unierechtelijke aspect niet relevant is, bij volledig gelijke gevallen (dan kan een rechtspraakverwijzing volstaan) of als iedere nationale rechter evident dezelfde uitleg zou geven.
24-03-2026
(Zaaknaam: Remling, ECLI:EU:C:2026:243, EHRC-2026-0095)