Update
Uitspraken van 10 maart 2026 tot 23 maart 2026
Redactie: J.H. Gerards, H. Morre, J. Krommendijk, S. Lambrecht, P. Ölçer, B. Aarrass, L.E. Burgers, P. Cannoot, L.R. Glas, C. Mak, D.A.G. van Toor en C. Van de Graaf.
Geachte lezer,
Voor u ligt nieuwsbrief 5 van EHRC Updates. In deze nieuwsbrief treft u een overzicht van de nieuwste uitspraken aan.
Veel leesplezier gewenst!
De redactie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
-
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In Moldavische gevangenissen bestaat een informeel ‘kastesysteem’. Gevangenen die tot de laagste kaste (de ‘outcasts’) behoren, krijgen allerlei beperkingen opgelegd, moeten vuil en zwaar werk verrichten en worden vernederd en gedehumaniseerd. Het EHRM merkt op dat de autoriteiten zich bewust moeten zijn geweest van de situatie. Dat zij die oogluikend hebben toegestaan betekent dat zij discriminatoir hebben gehandeld in strijd met art. 3 en 14 EVRM. Het niet-optreden tegen wat duidelijk dwangarbeid is in de zin van art. 4 lid 2 EVRM is eveneens ontoelaatbaar. Moldavië moet onder art. 46 dan ook algemene maatregelen treffen om het kastesysteem te bestrijden.
05-03-2026
(Zaaknaam: Petrov t. Moldavië, ECLI:CE:ECHR:2026:0305JUD003806618, EHRC-2026-0077) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Kryuk heeft tijdens een strafzaak enkele jaren in voorarrest doorgebracht, al is dit later omgezet naar huisarrest. Tijdens de zittingen zat hij met de medeverdachten in een glazen hok. Dit laatste acht het Hof niet in strijd met art. 3 EVRM: nu er geen bijkomende omstandigheden waren en er genoeg ruimte was, is het ‘minimum level of severity’ niet bereikt om vernederende behandeling aan te kunnen nemen. De voorlopige hechtenis is zonder goede gronden en met formalistische redeneringen te vaak verlengd, zonder dat deugdelijke toetsing en compensatie mogelijk waren. Art. 5 lid 3, 4 en 5 EVRM zijn daarom geschonden.
05-03-2026
(Zaaknaam: Kryuk t. Oekraïne, ECLI:CE:ECHR:2026:0305JUD005047420, EHRC-2026-0074) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Khattab is in België veroordeeld voor betrokkenheid bij een terroristische groepering in Syrië. In afwachting van hoger beroep is hij zonder mededeling en met valse papieren weer naar Syrië gereisd. Omdat hij niet bij de zittingen in hoger beroep was, is zijn zaak in absentia herbeoordeeld. Vlak na de uitspraak in hoger beroep is hij gerepatrieerd. Het EHRM neemt in deze omstandigheden aan dat Khattab zelf verantwoordelijk moet worden gehouden voor zijn afwezigheid bij de zittingen. Dat hij zich minder effectief heeft kunnen verdedigen kan niet aan de Belgische autoriteiten worden toegerekend. Art. 6 EVRM is dan ook niet geschonden.
05-03-2026
(Zaaknaam: Khattab t. België, ECLI:CE:ECHR:2026:0305JUD004027218, EHRC-2026-0073) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Kaganovskyy werd vanwege een geestelijke beperking wilsonbekwaam verklaard. Hij verbleef tegen zijn zin in een woon-zorgcentrum en mocht dat niet meer verlaten toen hij een procedure begon om weer wilsbekwaam te worden verklaard. Hoewel Kaganovskyy in 2019 is overleden en dus geen belang meer heeft bij een uitspraak, beoordeelt het Hof zijn zaak toch vanwege het bredere belang ervan: dit soort situaties van feitelijke vrijheidsberoving doet zich in Oekraïne vaker voor. De vrijheidsbeneming was niet op een besluit gebaseerd en al helemaal niet na een met waarborgen omklede rechterlijke procedure. Daardoor is de vrijheidsbeneming in strijd met art. 5 EVRM.
05-03-2026
(Zaaknaam: Kaganovskyy t. Oekraïne (nr. 2), ECLI:CE:ECHR:2026:0305JUD000569419, EHRC-2026-0072) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In de gemeente waar Tishkina woont, vinden al vele jaren illegale mijnbouwactiviteiten plaats. Dat heeft geleid tot ernstige verzakkingen, met grote schade aan haar huis tot gevolg. Weliswaar hebben de autoriteiten verschillende pogingen gedaan om de illegale mijnbouw te stoppen, maar dat is nooit gelukt. Het EHRM overweegt dat bij schade aan eigendommen de positieve verplichtingen van de staat minder ver gaan dan bij risico’s voor het recht op leven. Toch is niet gebleken dat de autoriteiten voldoende hebben gedaan. Art. 1 EP EVRM is dan ook geschonden.
03-03-2026
(Zaaknaam: Tishkina t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2026:0303JUD000471120, EHRC-2026-0079) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Een Samigemeenschap maakt aanspraak op graasrechten voor rendieren. Sinds 2005 bestaat daarvoor een wettelijke regeling die volgens hen niet in lijn is met van oudsher bestaande rechten. De gemeenschap is daarover in 2018 gaan procederen en is in 2021 in het gelijk gesteld, maar heeft geen compensatie gekregen. Het EHRM oordeelt dat hier duidelijk inbreuk is gemaakt op eigendomsrechten. De gemeenschap valt wel aan te rekenen dat zij niet eerder is gaan procederen en geen goede taxatie heeft gegeven van eventuele schade. Daardoor is art. 1 EP EVRM door het onthouden van compensatie toch niet geschonden.
03-03-2026
(Zaaknaam: Saarivuoma Sami Village t. Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2026:0303JUD000238122, EHRC-2026-0078) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Vladimir Landika heeft in 1981 zijn spaartegoeden in buitenlandse valuta ondergebracht bij de Ljubljana Basic Bank Sarajevo. Na opheffing van de republiek Joegoslavië is het bankensysteem aangepast en zijn veel tegoeden overgeheveld naar banken van de nieuw ontstane staten. Landika’s tegoeden zijn bij een bank in Sarajevo op een speciale ‘privatiseringsregeling’ terechtgekomen. Het EHRM heeft Slovenië eerder verantwoordelijk gehouden voor de overheveling van bepaalde tegoeden, maar de daarbij gevolgde redenering gaat in de situatie van privatiseringsrekeningen in Bosnië-Herzegovina niet op. Landika kan dan ook geen geslaagd beroep doen op art. 1 EP EVRM.
03-03-2026
(Zaaknaam: Landika t. Slovenië, ECLI:CE:ECHR:2026:0303JUD004598722, EHRC-2026-0075) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Macovei heeft als kandidaat deelgenomen aan de presidentsverkiezingen van 2014, maar haalde de tweede ronde niet. Later zijn haar sancties opgelegd door de onafhankelijke verkiezingsautoriteit in verband met onregelmatigheden in de campagnefinanciering. Zij heeft daarover zonder succes geprocedeerd. Het EHRM oordeelt dat de opgelegde sancties niet kunnen worden aangemerkt als ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM. Naar nationaal recht ging het niet om strafrechtelijke sancties, ze waren niet substantieel en ze konden alleen aan een beperkte groep mensen voor specifieke doelen van algemeen belang worden opgelegd. De klacht over schending van art. 6 EVRM is daarom niet-ontvankelijk.
03-02-2026
(Zaaknaam: Macovei t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2026:0203DEC005800417, EHRC-2026-0076)
Hof van Justitie van de Europese Unie
-
Hof van Justitie van de Europese Unie
Italië neemt sinds enige tijd geen asielzoekers meer terug die zijn doorgereisd naar een andere lidstaat, omdat het geen goede opvangvoorzieningen kan garanderen. Het HvJ EU overweegt dat bij systeemfouten en ernstige risico’s voor onmenselijke en vernederende behandeling (art. 4 Hv) moet worden verwacht dat, als de overdrachtstermijn is verstreken, de lidstaat waar het asielverzoek is ingediend dat verzoek behandelt. Dat de lidstaat van eerste binnenkomst daardoor kan wegkomen met opschorting van de terugnameplicht maakt dat niet anders. Wel kan een lidstaat daarvoor verantwoordelijk worden gehouden middels een niet-nakomingsprocedure die een lidstaat of de Europese Commissie kan initiëren.
05-03-2026
(Zaaknaam: Daraa, ECLI:EU:C:2026:146, EHRC-2026-0071) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
Als een terugkeerbesluit is genomen jegens een derdelander, mag deze op grond van de terugkeerrichtlijn in bewaring worden genomen. Dergelijke bewaring levert een ernstige inmenging in het door art. 6 Hv gegarandeerde vrijheidsrecht op. Daarom is bewaring niet langer dan zes maanden mogelijk. Het HvJ EU bepaalt nu dat afzonderlijke perioden van bewaring hierbij bij elkaar moeten worden opgeteld. Een rechter moet toetsen of de bewaring niet te lang duurt. Hij hoeft dat niet te onderzoeken voordat de maximale duur is bereikt, maar moet dat wel zo snel mogelijk daarna doen. De vreemdelingenbewaring kan in de tussengelegen periode voortduren.
05-03-2026
(Zaaknaam: Aroja, ECLI:EU:C:2026:148, EHRC-2026-0069) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
In het kader van een overheidsaanbesteding voor thuiszorgdiensten wordt een gunningscriterium gehanteerd dat inhoudt dat de inschrijver voornemens is collectieve onderhandelingen te voeren en daarbij een loonsverhoging toe te passen. Volgens het HvJ EU is art. 28 Hv over collectieve onderhandelingen hierop van toepassing, ook al bereikt het bedrag van de aanbesteding niet de drempelwaarde van de richtlijn. Art. 28 Hv wordt door het gunningscriterium niet geschonden, omdat de sociale partners nog steeds alle vrijheid hebben om over de cao te onderhandelen en aan de inschrijver alleen een inspanningsverplichting wordt opgelegd.
05-03-2026
(Zaaknaam: AESTE, ECLI:EU:C:2026:145, EHRC-2026-0068) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
De Hongaarse mediaraad heeft in 2020 geweigerd de uitzendrechten te verlengen van radiozender Klubrádió. Ook is een offerte voor uitzendrechten in het kader van een aanbestedingsprocedure geweigerd. In verband hiermee is de Europese Commissie een niet-nakomingsprocedure gestart bij het HvJ EU. Dat oordeelt dat de betwiste besluiten in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel, onder meer omdat niet concreet is onderzocht of het vergaande gevolg wel in verhouding stond met de overtredingen. Door deze onevenredigheid zijn de besluiten eveneens in strijd met de door art. 11 Hv beschermde uitingsvrijheid.
26-02-2026
(Zaaknaam: Commissie t. Hongarije (Droit de fournir des services de médias dans une radiofréquece), ECLI:EU:C:2026:108, EHRC-2026-0070)