Update
Uitspraken van 10 februari 2026 tot 23 februari 2026
Redactie: J.H. Gerards, H. Morre, J. Krommendijk, S. Lambrecht, P. Ölçer, B. Aarrass, L.E. Burgers, P. Cannoot, L.R. Glas, C. Mak, D.A.G. van Toor en C. Van de Graaf.
Geachte lezer,
Voor u ligt nieuwsbrief 3 van EHRC Updates. In deze nieuwsbrief treft u een overzicht van de nieuwste uitspraken aan.
Veel leesplezier gewenst!
De redactie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
-
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Beata Morawiec – voorzitter van de rechtbank van Krakau en van rechtersvereniging Themis – is een van de meest uitgesproken critici van de Poolse rechtspraakhervormingen. In 2020 verzocht een (door Morawiec bekritiseerde) openbaar aanklager de disciplinaire kamer van de Hoge Raad (DCSC) om haar immuniteit op te heffen en haar te schorsen. De DCSC honoreerde dit, al draaide zij dit later terug. Het EHRM benadrukt dat de DCSC geen bij wet ingesteld gerecht is. De immuniteitsopheffing en schorsing van zo’n prominente rechter is dan ook strijdig met art. 6, 8 en 10 EVRM, dit laatste mede gelet op het chilling effect daarvan.
05-02-2026
(Zaaknaam: Morawiec t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2026:0205JUD004623820, EHRC-2026-0051) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
A.M. raakte in 2026 zwaargewond door een bedrijfsongeval. Volgens een schriftelijke wilsverklaring zou alles moeten worden gedaan om hem in leven te houden en liet hij eventuele beslissingen aan zijn familie. De artsen besloten echter – ondersteund door de rechter in kort geding – dat in dit geval stopzetten van de verlenging van het leven de enige mogelijkheid was. Het EHRM overweegt dat het wettelijk kader dit toeliet, dat sprake is geweest van een zeer zorgvuldig besluitvormingsproces en dat ook grondige rechtsbescherming heeft opengestaan. Art. 2 EVRM is door het stopzetten van de behandeling dan ook niet geschonden.
05-02-2026
(Zaaknaam: Medmoune t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2026:0205JUD005502622, EHRC-2026-0050) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In twee zaken van fraude en omkoping is aan de bestrafte personen niet alleen de plicht opgelegd tot vergoeding van de door de staat geleden schade, maar zijn ook eigendommen in beslag genomen ter hoogte van de door het strafrechtelijk handelen verworven inkomsten. Het EHRM aanvaardt dat voor de individuele maatregelen een wettelijke grondslag en een legitiem doel bestond. De combinatie van twee reparatoire maatregelen, die een totaalbedrag oplevert dat ver uitstijgt boven de geleden schade, levert echter een excessieve last op en is niet verenigbaar met het eigendomsrecht van art. 1 EP EVRM.
05-02-2026
(Zaaknaam: Florio en Bassignana t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2026:0205JUD003432415, EHRC-2026-0048) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Vier ambtenaren hebben zich verzet tegen de mogelijkheid tot het uitvoeren van ‘integriteitstests’ door een speciale politieafdeling. Daarbij kan deze afdeling bijvoorbeeld verborgen camera’s plaatsen en undercoveroperaties uitvoeren. Het EHRM oordeelt dat dergelijke tests een goede manier kunnen zijn om corruptie tegen te gaan, maar dat wel goede procedurele waarborgen moeten worden geboden. Ook moeten er concrete aanwijzingen zijn van corruptie om de bevoegdheden te kunnen inzetten. Nu in Hongarije de integriteitstests stelselmatig en zonder goed rechterlijk toezicht kunnen worden uitgevoerd, is art. 8 EVRM geschonden.
03-02-2026
(Zaaknaam: Szelenyi e.a. t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2026:0203JUD001514723, EHRC-2026-0059) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Salvador Coutinho dos Santos Amado is sinds 2006 rechter, maar in 2018 beoordeelde de Portugese raad voor de rechtspraak (de CSM) zijn functioneren als ‘slecht’. Conform nationaal recht werd hij daarom tijdelijk ontheven van zijn taken in afwachting van een tuchtprocedure. De rechter vocht de beoordeling zonder succes aan. Het EHRM oordeelt dat de beoordeling leidde tot aanzienlijke consequenties voor de rechter van civielrechtelijke aard, zodat art. 6 EVRM op de beoordelingsprocedure van toepassing is. Nu de rechter de beoordeling voldoende zorgvuldig en gemotiveerd heeft onderzocht, is art. 6 EVRM echter niet geschonden.
03-02-2026
(Zaaknaam: Salvador Coutinho dos Santos Amado t. Portugal, ECLI:CE:ECHR:2026:0203JUD004479419, EHRC-2026-0058) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In een live televisie-interview over de moord op de Georgische Patriarch heeft een getuige voor de aanklager, kerkvader I., de advocaat van de verdachte – Ramishvili – onder meer beschuldigd van niet-integer handelen. Ramishvili heeft hierover een smaadzaak gevoerd, maar is in het ongelijk gesteld. Het EHRM oordeelt dat het hier ging om uitlatingen die een voldoende basis in de feiten moesten hebben om rechtmatig te kunnen zijn. Waar Ramishvili heeft moeten bewijzen dat hij wel integer handelde, heeft I. niets aangevoerd om zijn aantijgingen te onderbouwen. Door deze bewijsbeoordeling heeft de rechter art. 8 EVRM onvoldoende beschermd jegens Ramishvili.
03-02-2026
(Zaaknaam: Ramishvili t. Georgië, ECLI:CE:ECHR:2026:0203JUD000410024, EHRC-2026-0057) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Een groep asielzoekers is bij de grensovergang tussen Bulgarije en Servië aangehouden. Hoewel een rechter oordeelde dat zij asielverzoeken moesten kunnen indienen, heeft de politie hen gedwongen om terug te keren naar Bulgarije. Het EHRM oordeelt dat dit een verboden collectieve uitzetting was in de zin van art. 4 lid 4 EVRM. Een beroep op extreme asielinstroom kan geen rechtvaardiging vormen voor onmenselijke detentieomstandigheden, als zo’n beroep al kan worden gedaan. Art. 3 is echter niet geschonden omdat de detenties kortdurend waren; dit is alleen anders voor de eigenlijke uitzetting. De detenties waren wel in strijd met art. 5 EVRM.
03-02-2026
(Zaaknaam: O.H. e.a. t. Servië, ECLI:CE:ECHR:2026:0203JUD005718517, EHRC-2026-0055) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
De Russische oppositieleider Navalny was in 2014 (onrechtmatig) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf met proeftijd. Vlak voor het einde van de proeftijd werd Navalny vergiftigd en kon hij zich een tijdlang niet melden bij de politie. Daardoor voldeed hij niet meer aan de eisen van de proeftijd en werd de gevangenisstraf geactiveerd. Na een periode van ernstige pijn en vernederingen overleed hij in 2024. Het EHRM acht de gevangenisstraf en detentieomstandigheden in strijd met art. 3 en 5 EVRM. Ook heeft Rusland zijn verplichtingen onder art. 2 EVRM geschonden door de risico’s van gevangenisstraf voor Navalny’s leven niet te onderzoeken.
03-02-2026
(Zaaknaam: Navalny t. Rusland (nr. 4), ECLI:CE:ECHR:2026:0203JUD000474321, EHRC-2026-0054) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Khadija Ismayilova is in Azerbeidzjan veroordeeld wegens onder meer het ontbreken van formele registratie van haar ‘ondernemingsactiviteiten’ als ‘buitenlands journalist’. Het EHRM oordeelt dat daarbij een willekeurige en veel te brede uitleg is gegeven aan de relevante strafbepalingen, nu Ismayilova geen buitenlands journalist is en hoogstens soms met buitenlanders journalisten heeft samengewerkt. Deze veroordeling is daarmee in strijd met art. 6 en 7 EVRM. Bovendien was het kennelijke, illegitieme doel van de vervolging en veroordeling om Ismayilova tot zwijgen te brengen, waardoor deze ook in strijd is met art. 10 en 18 EVRM.
27-01-2026
(Zaaknaam: Khadija Ismayilova t. Azerbeidzjan (nr. 4), ECLI:CE:ECHR:2026:0127JUD007155616, EHRC-2026-0049) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Tegen de president en enkele rechters van een rechtbank in Kiev loopt een strafrechtelijk onderzoek, omdat zij mogelijk onrechtmatig of vanuit corruptie zouden hebben gehandeld rondom de Euromaidan-protesten in 2013/2014. Hierover heeft de anti-corruptieautoriteit ook enkele persberichten uitgevaardigd. De rechtbankpresident heeft via strafrechtelijke procedures geprobeerd enkele onderzoekshandelingen aan de kaak te stellen, maar hij heeft geen civielerechtelijke wegen bewandeld. Daardoor heeft hij de rechtsmiddelen niet uitgeput ten aanzien van zijn klachten over eerlijk proces en reputatieschade. Zijn klacht over misbruik van beperkingsbevoegdheid onder art. 18 EVRM is kennelijk ongegrond wegens ontbreken van bewijs van illegitieme doelstellingen van onderzoek en persberichten.
13-01-2026
(Zaaknaam: Vovk t. Oekraïne, ECLI:CE:ECHR:2026:0113DEC005435320, EHRC-2026-0060)
Hof van Justitie van de Europese Unie
-
Hof van Justitie van de Europese Unie
Europarlementariërs Puigdemont i Casamajó, Comín i Oliveres en Ponsatí i Obiols zijn in Spanje strafrechtelijk vervolgd voor hun betrokkenheid bij de organisatie van een niet-erkend referendum over zelfbeschikking van Catalonië. In 2021 heeft het Europees Parlement hun immuniteit op Spaans verzoek opgeheven, na onderzoek door de parlementaire Commissie juridische zaken. Anders dan eerder het Gerecht, oordeelt het HvJ EU dat de rapporteur van deze Commissie niet onpartijdig was, omdat hij deel uitmaakt van de fractie die in Spanje voorstander is van de strafvervolging. Daardoor is gehandeld in strijd met het in art. 41 Hv neergelegde recht op behoorlijk bestuur.
05-02-2026
(Zaaknaam: Puigdemont i Casamajó e.a. t. Parlement (opheffing van parlementaire immuniteit), ECLI:EU:C:2026:70, EHRC-2026-0056) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
Fidenato heeft in strijd met nationale en EU-wetgeving genetisch gemodificeerd maïs geplant. Het HvJ EU acht het niet in strijd met het discriminatieverbod (art. 21 Hv) dat de toepasselijke richtlijn toelaat dat in verschillende lidstaten verschillende regels gelden voor genetisch gemodificeerde organismen (ggo’s). Landbouwers die een ggo willen telen zijn ook niet in een vergelijkbare positie als landbouwers die dat niet willen. De vrijheid van ondernemerschap houdt niet in dat derden het recht kunnen verkrijgen om een economische activiteit uit te oefenen middels producten die niet in de handel mogen worden gebracht, zodat art. 16 Hv niet van toepassing is.
05-02-2026
(Zaaknaam: Fidenato, ECLI:EU:C:2026:67, EHRC-2026-0047) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
Een alleenreizende Syrische asielzoeker is via Turkije, waar hij een maand heeft verbleven, Bulgarije ingereisd en heeft daar asiel aangevraagd. Daarbij is de vraag opgekomen of het asielverzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard omdat hij een ‘band’ heeft met Turkije als veilig derde land. Het HvJ EU overweegt dat enkele doorreis geen ‘band’ kan opleveren en dat staten daarvoor nadere criteria moeten definiëren. Een lijst van veilige derde landen formuleren is toelaatbaar. De rechter moet wel altijd uiterst nauwgezet nagaan of een asielverzoek inderdaad niet-ontvankelijk kan worden verklaard en of voldoende sprake is van een ‘band’ met een veilig derde land.
05-02-2026
(Zaaknaam: Aleb, ECLI:EU:C:2026:68, EHRC-2026-0043) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
In verband met een veroordeling van S.H. heeft Italië vorderingen op S.H.’s onroerende zaken in Slovenië. Daarom heeft Italië tot inbeslagname daarvan besloten. M.H. voert in Slovenië op hetzelfde moment echter een faillissementsprocedure tegen S.H., waarin inbeslagname van dezelfde zaken is gevorderd. M.H. heeft die inbeslagname verzocht voordat Italië om erkenning en tenuitvoerlegging van de eigen inbeslagnamebeslissing heeft gevraagd. In die omstandigheden moet volgens het HvJ EU in het licht van art. 17 Hv een uitzondering worden gemaakt op de beginselen van wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen, mits onder meer is voldaan aan de voorwaarde van goede trouw.
29-01-2026
(Zaaknaam: Munik, ECLI:EU:C:2026:55, EHRC-2026-0053) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
In verband met de behandeling van het asielverzoek van een Pakistaanse asielzoeker is een individueel ambtsbericht opgemaakt. Dit heeft geleid tot afwijzing van het asielverzoek. De in de procedure daarover gestelde prejudiciële vragen gaan over de toegang die een asielzoeker moet kunnen krijgen tot de onderliggende stukken van zo’n ambtsbericht. Het HvJ EU benadrukt dat het gaat om belangrijke informatie in verband met het refoulementverbod (art. 19 lid 2 Hv). Daartoe moet een asielzoeker (of diens raadsman) in het licht van art. 47 Hv daarom in ieder geval op hoofdpunten toegang krijgen, eventueel via een speciale asielprocedure.
29-01-2026
(Zaaknaam: Multan, ECLI:EU:C:2026:53, EHRC-2026-0052) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
Naar aanleiding van vanuit de VS opgelegde importheffingen heeft ook de EU een pakket aan heffingen aangenomen. Hierdoor is onder meer aanstekerfabrikant Zippo geraakt. Het Gerecht heeft eerder gehoord dat Zippo over de vaststelling van de heffingen had moeten worden gehoord. Het HvJ EU oordeelt nu dat het in dit geval ging om een handeling van algemene strekking, ook al is duidelijk dat bepaalde ondernemers daardoor zijn geraakt. Het verdedigingsbeginsel en het hoorrecht van art. 41 lid 2 (a) Hv zijn in dit soort situaties niet van toepassing.
29-01-2026
(Zaaknaam: Commissie t. Zippo Manufacturing en Zippo, ECLI:EU:C:2026:48, EHRC-2026-0046) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
Een ondernemer heeft zestien leveranciers afzonderlijk facturen gestuurd die niet in overeenstemming waren met de nationale wetgeving. De toezichthouder wil daarvoor boetes opleggen. Een van de vragen die daarbij is opgekomen is of het ne-bis-in-idembeginsel zich verzet tegen het aanmerken van de zestien afzonderlijke vorderingen als één enkele inbreuk die leidt tot de oplegging van één enkele geldboete, met een vast bedrag als maximum. Het HvJ EU acht dit redelijk, mits de rechter of toezichthouder ruimte heeft om een doeltreffende, evenredige en afschrikkende boetehoogte vast te stellen.
29-01-2026
(Zaaknaam: Bundeswettbewerbsbehörde, ECLI:EU:C:2026:50, EHRC-2026-0045) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
In Italië hadden docenten in vaste dienst recht op een elektronische kaart om bijscholing te kopen. Het HvJ EU heeft eerder vastgesteld dat dit strijdig is met het discriminatieverbod. Het overweegt nu dat die strijdigheid kan worden weggenomen door ook docenten in tijdelijk dienstverband zo’n kaart alsnog toe te kennen. Daarbij moet wel rekening worden gehouden met de kern van de regeling. Als deze mensen de onderwijssector inmiddels hebben verlaten, ligt een recht op schadevergoeding eerder voor de hand. De procedure daarbij moet wel verenigbaar zijn met art. 47 Hv en de beginselen van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid.
29-01-2026
(Zaaknaam: Bariello, ECLI:EU:C:2026:57, EHRC-2026-0044)