Update
Uitspraken van 27 januari 2026 tot 9 februari 2026
Redactie: J.H. Gerards, H. Morre, J. Krommendijk, S. Lambrecht, P. Ölçer, B. Aarrass, L.E. Burgers, P. Cannoot, L.R. Glas, C. Mak, D.A.G. van Toor en C. Van de Graaf.
Geachte lezer,
Voor u ligt nieuwsbrief 2 van EHRC Updates. In deze nieuwsbrief treft u een overzicht van de nieuwste uitspraken aan.
Veel leesplezier gewenst!
De redactie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
-
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Kaya is in eerste aanleg veroordeeld wegens socialezekerheidsfraude. Tijdens het hoger beroep heeft de officier van justitie in de pers al gesteld dat hij een doorgewinterde fraudeur was. Uiteindelijk is de zaak ook in cassatie beoordeeld, waarbij een raadsheer onderdeel uitmaakte van de formatie die ook betrokken was bij de beoordeling door de rechtbank. Het EHRM oordeelt dat door deze betrokkenheid het vereiste van onpartijdigheid is aangetast. De uitspraken van de officier van justitie waren bovendien zodanig dat ook de onschuldpresumptie is geschonden. Het Hof stelt daarom schendingen vast van art. 6 lid 1 en lid 2 EVRM.
22-01-2026
(Zaaknaam: Kaya t. België, ECLI:CE:ECHR:2026:0122JUD001008918, EHRC-2026-0036) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
J.S. is jarenlang mishandeld door haar ex-echtgenoot. Voor de strafrechter zijn daarover verschillende getuigenverklaringen afgelegd, maar omdat geen van de getuigen (behalve de kinderen) daadwerkelijk hebben gezien dat J.S. werd mishandeld, heeft de strafrechter de ex-echtgenoot vrijgesproken. Ondanks twee vernietigingen van dit oordeel is dat in stand gebleven. Het EHRM oordeelt dat de strafrechter te weinig rekening heeft gehouden met het bijzondere karakter van huiselijk geweld en de bewijsvoering daarbij. Mede door de lange duur van de procedure is art. 3 EVRM geschonden. Concreet bewijs van (statistische) discriminatie is niet geleverd, zodat de klacht over gendergebaseerde discriminatie kennelijk ongegrond is.
22-01-2026
(Zaaknaam: J.S. t. Slowakije, ECLI:CE:ECHR:2026:0122JUD003576723, EHRC-2026-0035) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
R.M. heeft in verschillende cellen opgesloten gezeten in een sterk verouderde Straatsburgse gevangenis. Daarbij heeft hij enkele keren maar 2,6 m2 of 3,9 m2 persoonlijke ruimte gehad. Hoewel de periodes relatief kort waren, acht het Hof dit ruimtegebrek in samenhang met de slechte omstandigheden strijdig met art. 3 EVRM. In een andere periode had R.M. meer ruimte, maar moest hij de cel delen met anderen. Doordat de sanitaire ruimte alleen met een glaswand was afgescheiden, is in die periode zijn privacy aangetast in een mate die niet inherent kan worden gevonden aan detentie. Art. 8 EVRM is daarom geschonden.
15-01-2026
(Zaaknaam: R.M. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2026:0115JUD003499422, EHRC-2026-0040) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In 2014 probeerden vier carabinieri een geagiteerde en zich verward gedragende man tot rust te brengen. Zij immobiliseerden hem om het risico voor hemzelf en zijn omgeving te beperken, maar hielden hem twintig minuten in dezelfde houding vast. Tijdens deze twintig minuten kreeg de man een hartstilstand. Het EHRM oordeelt dat er in Italië onvoldoende regels en training waren voor de omgang met mensen die onbegrepen gedrag tonen. Daardoor is Italië verantwoordelijk voor de ontstane schending van art. 2 EVRM. Dit recht is bovendien in procedureel opzicht geschonden nu het onderzoek niet helemaal onafhankelijk is uitgevoerd.
15-01-2026
(Zaaknaam: Magherini e.a. t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2026:0115JUD003270719, EHRC-2026-0037) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Biliński is een Poolse strafrechter die verschillende uitspraken heeft gedaan waarop politici van de regeringspartijen kritiek hadden. Op zeker moment is de strafkamer waar hij werkte opgeheven en is hij onvrijwillig overgeplaatst naar de familiekamer. Daartegen kon Biliński alleen beroep instellen bij de Hoge Raad van Justitie (NCJ). Het EHRM benadrukt dat de waarborg van toegang tot een onafhankelijk en onpartijdig gerecht ook geldt bij overplaatsingsbeslissingen binnen één gerecht. Het heeft eerder al geoordeeld dat de NCJ niet als zo’n onafhankelijk en onpartijdig gerecht kan worden aangemerkt. Art. 6 lid 1 EVRM is dan ook geschonden.
15-01-2026
(Zaaknaam: Biliński t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2026:0115JUD001327820, EHRC-2026-0031) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Z. heeft aangifte gedaan jegens O., die haar tijdens een festival zou hebben aangerand. O. bekende haar onder haar kleding te hebben aangeraakt, maar stelde dat hij daarmee was opgehouden zodra Z. hem wegduwde. Omdat O. daarmee geen intentie tot aanranding had getoond, is de vervolging beëindigd. Het EHRM overweegt dat daarmee een verkeerde onderzoekslijn is gekozen: centraal had de vraag moeten staan of Z. überhaupt wel had ingestemd met aanraking door Z. Nu dat niet voldoende is onderzocht, is art. 8 EVRM geschonden. Van met art. 14 EVRM strijdige discriminatie is niet gebleken.
13-01-2026
(Zaaknaam: Z. t. IJsland, ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD000353821, EHRC-2026-0042) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Tijdens een stand-up comedyshow – die met toestemming van het publiek werd gefilmd – ontstond een heftige woordenwisseling tussen de comedian en M.G. en M.C. Geselecteerde beelden daaruit werden vervolgens getoond in een promo-video voor een documentaire over de comedian op de commerciële televisiezender SIC Radical. M.G. en M.C. hebben hiervoor een schadevergoeding geëist en gekregen van uitzendbedrijf SIC. Het EHRM acht dat niet onredelijk, nu M.G. en M.C. privépersonen zijn die niet specifiek hadden ingestemd met het uitzenden van de beelden van de woordenwisseling, maar daardoor wel zijn geridiculiseerd, voor enkel commerciële doeleinden. Art. 10 EVRM is dan ook niet geschonden.
13-01-2026
(Zaaknaam: SIC – Sociedade Independente de Comunicao, S.A. t. Portugal (nr. 2), ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD000274621, EHRC-2026-0041) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
R.E. en drie andere vrouwen hebben aangifte van verkrachting en vergelijkbare zedendelicten gedaan bij de politie. Volgens het EHRM bestaat er in IJsland voor dergelijke gevallen een deugdelijk wettelijk raamwerk, dat in dit geval zorgvuldig is toegepast. De aangiftes zijn correct gekwalificeerd, er is snel onderzoek gedaan en dat onderzoek is zorgvuldig uitgevoerd, ook rekening houdend met individuele omstandigheden. Verder is niet gebleken van structurele discriminatie jegens vrouwen bij het onderzoek en de vervolging van zedenmisdrijven. Art. 3, 8 en 14 EVRM zijn dan ook niet geschonden.
13-01-2026
(Zaaknaam: R.E. e.a. t. IJsland, ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD005980919, EHRC-2026-0039) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Naar aanleiding van een Facebookpost waarin oppositiepoliticus B.G. werd afgebeeld naast Joseph Goebbels ontstond een hevige mediadiscussie over de gepastheid daarvan. In tijdschrift Mladina verscheen over deze discussie een kritisch hoofdredactioneel commentaar, maar in de sectie ‘Mladynamiet’ werd B.G. in een satirisch stukje op de hak genomen; dat stuk was vergezeld van een familiefoto van B.G. Volgens het EHRM is Mladina in strijd met art. 10 EVRM veroordeeld in een smaadprocedure die B.G. had aangespannen. Duidelijk was dat het hier ging om satire (hoe provocatief ook), de foto breed was verspreid en B.G. als politicus een dikke huid moest hebben.
13-01-2026
(Zaaknaam: Mladina D.D. Ljubljana t. Slovenië (nr. 2), ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD004338817, EHRC-2026-0038) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
İ.Ç. is ontslagen als universitair docent toen na de poging tot staatsgreep in 2016 bleek dat hij op een gebruikerslijst stond van de berichtenapp ByLock, die wordt geassocieerd met de terroristische groepering FETÖ/PDY. Hij kon zijn ontslag aanvechten bij de rechter, maar deze heeft – in strijd met het beginsel van equality of arms – de grondslag van het ontslag niet effectief onderzocht. Turkije kan ter verdediging daarvan geen beroep doen op de onder art. 15 EVRM afgekondigde noodtoestand, nu het hier gaat om een fundamenteel beginsel van de heerschappij van het recht. Art. 6 EVRM is dan ook geschonden.
13-01-2026
(Zaaknaam: İ.Ç. t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD004806119, EHRC-2026-0033)
Hof van Justitie van de Europese Unie
-
Hof van Justitie van de Europese Unie
RM en EM hebben een hypothecaire lening afgesloten met de bank SBP. Zij hebben later tegen SBP geprocedeerd omdat een beding van de hypotheekovereenkomst oneerlijk zou zijn. SBP heeft daarbij een exceptie van verrekening ingeroepen om te verzekeren dat het verschafte kapitaal bij ongeldigverklaring zou worden terugbetaald. Het HvJ EU acht zo’n procedurele verrekeningsmogelijkheid niet onredelijk. Deze sluit aan bij het beginsel van processuele gelijkheid, waarbij ook een verwerende procespartij beschermd wordt door art. 47 Hv. Wel moet er een redelijke proceskostenverdeling worden toegekend om te voorkomen dat procederen over oneerlijke bedingen door consumenten wordt ontmoedigd.
22-01-2026
(Zaaknaam: Herchoski, ECLI:EU:C:2026:42, EHRC-2026-0032) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
Aan een onderneming is een boete opgelegd omdat niet aan de controlevereisten was voldaan bij het registreren van de uiteindelijk begunstigde bij een contract in de publieke sector. Het HvJ EU overweegt dat de boete waarschijnlijk van strafrechtelijke aard is en dat de onderliggende wetgeving daarom in overeenstemming moet zijn met het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel. Dat beginsel vereist geen volledige duidelijkheid en laat enige ruimte voor rechterlijke uitleg. In dit geval lijkt hieraan te zijn voldaan. Een automatisch bepaalde boetehoogte is in strijd met het evenredigheidsbeginsel, al is het niet onredelijk als er een vaste maximum- en minimumboetehoogte is.
22-01-2026
(Zaaknaam: AK Dlhopolec e.a., ECLI:EU:C:2026:41, EHRC-2026-0030) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
In 2017 is de Italiaanse mededingingsautoriteit een onderzoek gestart naar een kartonkartel en een verpakkingskartel, waarvan Imballaggi Piemontesi deel zou uitmaken. Vanwege de complexiteit en omvang van het onderzoek is de maximale termijn daarvan twee keer verlengd. Aan het HvJ EU is de vraag voorgelegd of dat verenigbaar is met de uit art. 41 en 47 Hv voortvloeiende procedurele rechten. Het HvJ EU formuleert verschillende voorwaarden waaronder verlenging redelijk of zelfs nodig kan zijn en waaraan per geval moet worden getoetst. Het gaat onder meer om de complexiteit van het onderzoek, om een motiveringseis en een mogelijkheid van rechterlijke toetsing.
15-01-2026
(Zaaknaam: Imballaggi Piemontesi, ECLI:EU:C:2026:14, EHRC-2026-0034)