Update
Uitspraken van 6 oktober 2026 tot 19 oktober 2026
Redactie: J.H. Gerards, H. Morre, J. Krommendijk, S. Lambrecht, P. Ölçer, B. Aarrass, L.E. Burgers, P. Cannoot, L.R. Glas, C. Mak, D.A.G. van Toor en C. Van de Graaf.
Geachte lezer,
Voor u ligt nieuwsbrief 18 van EHRC Updates. In deze nieuwsbrief treft u een overzicht van de nieuwste uitspraken aan.
Veel leesplezier gewenst!
De redactie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
-
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Aan de beraadslagingen over een cassatieberoep van Kuijt zouden bij de Hoge Raad mogelijk ‘reservisten’ deelnemen (raadsheren van de Hoge Raad die niet in de zetel zitten die over een beroep oordeelt). Doel van hun inbreng is het bewerkstelligen van een uniforme uitleg en toepassing van het recht. Een wrakingskamer oordeelde dat hun betrokkenheid de onpartijdigheid van de beoordeling van het cassatieberoep niet in gevaar brengt. Het EHRM onderschrijft die conclusie en verklaart dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond. De resterende klachtonderdelen over de verenigbaarheid met art. 6 EVRM zijn onvoldoende in de cassatieprocedure ingebracht en zijn niet-ontvankelijk wegens niet-uitputting van rechtsmiddelen.
23-09-2026
(Zaaknaam: Kuijt t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2026:0923DEC001936519, EHRC-2026-0236) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Stanton en Bowen zijn veroordeeld tot een onbepaalde periode van gevangenisstraf ter bescherming van de openbare veiligheid. Beiden zijn na ongeveer twee jaar in aanmerking gebracht voor vrijlating via een ‘goedgekeurde voorziening’, die dient als overgang van het gevangenisregime naar volledige vrijheid. Hoewel er een zekere wachttijd is tussen het moment waarop besloten werd tot invrijheidsstelling via deze voorziening en de beschikbaarheid van plaatsen, acht het Hof dat niet onredelijk of strijdig met art. 5 lid 1 EVRM: de wachttijd was voorzienbaar en er was voldoende causaal verband tussen de oorspronkelijke veroordeling en de daadwerkelijke invrijheidsstelling.
22-09-2026
(Zaaknaam: Stanton en Bowen t. het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2026:0922JUD004909619, EHRC-2026-0237) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
De broers Degiorgio stonden terecht voor moord op een journalist. Hun advocaat legde vlak voor aanvang van de juryzittingen zijn taken neer en andere advocaten weigerden de zaak over te nemen. Daarom wees de rechtbank twee rechtsbijstandsadvocaten aan. Uiteindelijk aanvaardden de Degiorio’s een schikkingsaanbod. Het Hof acht de gang van zaken rondom de toewijzing van de advocaten niet oneerlijk en is niet van oordeel dat het recht op een eerlijk proces hierdoor of in verband met de schikking kunnen zijn aangetast. De klachten over art. 6 lid 1 en lid 3 EVRM zijn dan ook kennelijk ongegrond.
01-09-2026
(Zaaknaam: Degiorgio t. Malta, ECLI:CE:ECHR:2026:0901DEC002660225, EHRC-2026-0235)