Update
Uitspraken van 29 juli 2026 tot 7 september 2026
Redactie: J.H. Gerards, H. Morre, J. Krommendijk, S. Lambrecht, P. Ölçer, B. Aarrass, L.E. Burgers, P. Cannoot, L.R. Glas, C. Mak, D.A.G. van Toor en C. Van de Graaf.
Geachte lezer,
Voor u ligt nieuwsbrief 15 van EHRC Updates. In deze nieuwsbrief treft u een overzicht van de nieuwste uitspraken aan.
Veel leesplezier gewenst!
De redactie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
-
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Kolesnyk en Smelnytskyy hebben beweerdelijk militaire versterkingen gefilmd en het materiaal via Telegramkanalen van de Russische inlichtingendiensten verspreid. Daarvoor worden zij vervolgd en zijn zij in voorlopige hechtenis genomen. Het Hof ziet hiervoor voldoende grond in de zin van art. 5 lid 1 (c) EVRM. De verschillende verlengingen van het voorarrest zijn niet onredelijk, ook al waren zij erg beperkt gemotiveerd en bedraagt de onderzochte duur van het voorarrest ruim twee jaar en vier maanden. Art. 5 lid 3 EVRM is niet geschonden.
23-07-2026
(Zaaknaam: Kolesnyk en Smelnytskyy t. Oekraïne,, ECLI:CE:ECHR:2026:0723JUD002446523, EHRC-2026-0208) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
De zwangere A.G. is in voorlopige hechtenis genomen in een zaak over cocaïnesmokkel. Onder meer vanwege risico van samenspanning mag zij geen contact hebben met partner en biologische vader C.; deze mag ook niet bij de bevalling aanwezig zijn. Het EHRM ziet hierin inbreuken op zowel het privé- als het gezinsleven. De Zwitserse rechters hebben eenzijdig gewicht toegekend aan het veiligheidsrisico, zonder goed te onderzoeken of er alternatieve maatregelen mogelijk waren (zoals bewaakte bezoeken) en zonder A.G.’s belangen goed mee te wegen. Daardoor zijn de weigeringen van contact in strijd met art. 8 EVRM.
23-07-2026
(Zaaknaam: A.G. t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2026:0723JUD001534520, EHRC-2026-0203) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Klagers namen deel aan een protest buiten een partijcongres van een regeringspartij in Boekarest. De gendarmerie identificeerde hen als deelnemers aan de betoging en legde hun lichte geldboetes op, die door de nationale rechter werden bevestigd. Het EHRM oordeelt dat deze boetes een ongerechtvaardigde inbreuk vormden op het recht op vrijheid van vergadering, mede bezien in het licht van de vrijheid van meningsuiting. Art. 11, gelezen in het licht van art. 10, EVRM is geschonden ten aanzien van beide klagers.
16-07-2026
(Zaaknaam: Rădulescu Dobrogea en Ciurea t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2026:0716JUD006397219, EHRC-2026-0211) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
G.K. zat in voorlopige hechtenis wegens vermogensdelicten in het kader van een anti-speciïsme-beweging; A.S. was opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis en gaf aan om ethische redenen veganistisch te eten. Beiden kregen tijdens hun detentie geen volwaardig veganistisch dieet aangeboden en hadden hiertegen geen effectief rechtsmiddel. Het EHRM oordeelt dat dit een schending oplevert van de vrijheid van geweten en van het recht op een effectief rechtsmiddel. De art. 9 en 13 EVRM zijn daarom geschonden.
16-07-2026
(Zaaknaam: G.K. en A.S. t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2026:0716JUD005529920, EHRC-2026-0205) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Klager is in 2020 veroordeeld voor seksueel misbruik van het nichtje van zijn partner en het vervaardigen van kinderporno. Volgens hem moest voor een veroordeling echter een concreet verspreidingsrisico bewezen worden, terwijl zijn gedrag hooguit als bezit kon worden aangemerkt. De nationale rechter baseerde de veroordeling op een arrest van het Italiaanse Cassatiehof uit 2018, waarin het verspreidingsvereiste als voorwaarde was losgelaten. Het EHRM acht de jurisprudentiële ontwikkeling voldoende voorzienbaar en in lijn met de essentie van het delict, zodat van strijd met het verbod van terugwerkende kracht van strafbepalingen (art. 7 EVRM) geen sprake is.
16-07-2026
(Zaaknaam: R.B. t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2026:0716JUD002040923, EHRC-2026-0210) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Klaagster, van Roma-afkomst, is slachtoffer geworden van een vermeend racistisch gemotiveerde aanval tijdens een confrontatie tussen een bezoekende groep met onder meer voetbalhooligans en de lokale Roma-gemeenschap. Haar strafklacht werd in 2022 geseponeerd. Die beslissing werd in beroep en door het Constitutionele Hof bevestigd. Het EHRM oordeelt dat de nationale autoriteiten geen effectief onderzoek hebben verricht naar de aanval en onvoldoende hebben gedaan om het gestelde racistische motief daarvoor te achterhalen. Art. 3 EVRM (onderzoeksplicht) en art. 14 jo. art. 3 EVRM zijn geschonden.
16-07-2026
(Zaaknaam: Karičková t. Tsjechië, ECLI:CE:ECHR:2026:0716JUD000741124, EHRC-2026-0207)
Hof van Justitie van de Europese Unie
-
Hof van Justitie van de Europese Unie
Xx heeft een Italiaanse rechter verzocht om vast te stellen dat hij de buitenechtelijke zoon is van de in Frankrijk begraven Aa. De Italiaanse rechter heeft de Franse rechter daarom een verzoek gezonden om het lichaam te laten opgraven en daarvan DNA te laten afnemen. Het HvJ EU benadrukt dat de verordening uitgaat van wederzijds vertrouwen. De weigeringsgronden moeten daarbij restrictief worden uitgelegd. Het recht op menselijke waardigheid (art. 1 Hv) en eerbiediging van het privé- en familieleven (art. 7 Hv) staan in het onderhavige geval niet in de weg aan de verplichting de verzochte onderzoeksmaatregel uit te voeren.
16-07-2026
(Zaaknaam: Aucrinde, HvJ EU (GK), ECLI:EU:C:2026:587, EHRC-2026-0204) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
Het HvJ EU is gevraagd welke grondrechtelijke waarborgen gelden wanneer nationale mededingingsautoriteiten bedrijfsruimten doorzoeken en zakelijke e-mails van werknemers in beslag nemen in het kader van onderzoeken naar mogelijke schendingen van art. 101 en 102 VWEU. Dergelijke maatregelen vormen een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en de communicatie (art. 7 Hv) het recht op persoonsgegevensbescherming (art. 8 Hv). Een voorafgaande rechterlijke machtiging is niet in alle gevallen vereist, maar nationale wetgeving moet wel voorzien in duidelijke bevoegdheden, effectieve rechterlijke toetsing en voldoende waarborgen tegen willekeur en onevenredige inmenging in de grondrechten van de betrokken ondernemingen.
16-07-2026
(Zaaknaam: IMI – Imagens Médicas Integradas S.A. e.a., ECLI:EU:C:2026:585, EHRC-2026-0206) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
In een strafzaak over btw-fraude besliste een Roemeense rechter dat de verjaringstermijn was verstreken, maar dit zou mogelijk strijdig zijn met een eerdere HvJ EU-uitspraak over het risico van straffeloosheid voor ernstige fraude tegen de financiële belangen van de Unie. Het Hof verduidelijkt de drempel van ernstige fraude: zeker elk bedrag boven 50.000 euro. Onherroepelijke rechterlijke uitspraken waarin al vóór het HvJ EU-arrest verjaring was vastgesteld, hoeven niet ter discussie te worden gesteld. Wel moeten Roemeense rechters de verjaringsstandaard buiten toepassing laten in nog niet definitief afgesloten zaken van ernstige fraude, ook al doorkruist dit de Roemeense grondwettelijke bescherming.
16-07-2026
(Zaaknaam: Lin II, ECLI:EU:C:2026:586, EHRC-2026-0209)