Update
Uitspraken van 16 juni 2026 tot 29 juni 2026
Redactie: J.H. Gerards, H. Morre, J. Krommendijk, S. Lambrecht, P. Ölçer, B. Aarrass, L.E. Burgers, P. Cannoot, L.R. Glas, C. Mak, D.A.G. van Toor en C. Van de Graaf.
Geachte lezer,
Voor u ligt nieuwsbrief 12 van EHRC Updates. In deze nieuwsbrief treft u een overzicht van de nieuwste uitspraken aan.
Veel leesplezier gewenst!
De redactie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
-
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In Italië kan op initiatief van de regering een overeenkomst worden aangegaan met religieuze gemeenschappen. Daardoor wordt onder meer een toeslag voor religieuze activiteiten mogelijk. Alle geloofsgemeenschappen hebben zo’n overeenkomst, behalve de Jehova’s Getuigen, beweerdelijk vanwege de principiële standpunten over bloedtransfusies en dienstplicht. Volgens het EHRM zijn die standpunten niet duidelijk in strijd met het Italiaanse recht en zijn er ook verder geen objectieve redenen om alleen aan de Jehova’s Getuigen een overeenkomst te onthouden. Dit levert strijd op met art. 14 in samenhang met art. 9 en 1 EP EVRM.
11-06-2026
(Zaaknaam: Christian Congregation of Jehovah’s Witnesses t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2026:0611JUD004968716, EHRC-2026-0159) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Bij een medische check van de hoogzwangere C.P. – die graag thuis wilde bevallen – bleek dat er risico’s bij de bevalling waren voor zowel het kind als de moeder. Omdat C.P. eigenlijk niet naar het ziekenhuis wilde komen, werd een rechterlijk bevel opgelegd: indien nodig moest in het ziekenhuis de bevalling worden ingeleid. Het EHRM steunt het nationale oordeel dat hiervoor een voldoende wettelijke grondslag bestond. Er is bovendien een redelijke afweging gemaakt tussen de privacybelangen van C.P. en de bescherming van de gezondheid van het kind. Art. 8 EVRM is dan ook niet geschonden.
11-06-2026
(Zaaknaam: C.P. t. Spanje, ECLI:CE:ECHR:2026:0611JUD005018122, EHRC-2026-0158) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In een Bulgaarse gemeente is een verordening aangenomen op grond waarvan het verboden is om religieuze propaganda te maken bij mensen thuis. Enkele Jehova’s Getuigen zijn daartegen opgekomen. Het EHRM erkent dat er naar nationaal recht onduidelijkheid is over de vraag of de gemeenteraad bevoegd was deze verordening aan te nemen. De reikwijdte van het verbod is bovendien onduidelijk. Verder is niet gebleken dat er een maatschappelijke behoefte bestond aan dit verbod, dat tegelijkertijd erg algemeen is geformuleerd en vergaand ingrijpt in de godsdienstvrijheid. De verordening is daarom in strijd met art. 9 EVRM.
09-06-2026
(Zaaknaam: Velev e.a. t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2026:0609JUD005600721, EHRC-2026-0170) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Onderneming Jiitee Työt heeft met onderneming M. een reeks overeenkomsten gesloten, waarin ook een arbitrageclausule was opgenomen. In een concreet geschil kwamen Jiitee Työt en M. vervolgens overeen dat de arbitrage via een versnelde procedure zou verlopen, waarbij geen motivering zou worden gegeven. Jittee Tyött stelde vervolgens alsnog bij de civiele rechter en bij het EHRM dat het ontbreken van een motivering in strijd was met art. 6 EVRM. Het Hof oordeelt dat de onderneming vrijwillig afstand heeft gedaan van dit recht, dat niet de kern van art. 6 EVRM betreft. Deze bepaling is dan ook niet geschonden.
09-06-2026
(Zaaknaam: Jiitee Työt OY t. Finland, ECLI:CE:ECHR:2026:0609JUD000289525, EHRC-2026-0162) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Erçin heeft epilepsie, maar door misverstanden in het keuringsproces is hij toch goedgekeurd voor de militaire dienstplicht. Vlak na aanvang van zijn diensttijd kreeg hij een ernstige epileptische aanval die langdurige medische behandeling vergde. Het EHRM oordeelt dat, ondanks de tekortkomingen bij de keuring, de overheid niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de eigenlijke epileptische aanval. De geboden zorg was bovendien toereikend, zodat art. 3 EVRM niet is geschonden. Wel is art. 6 EVRM geschonden doordat in een schadevergoedingsprocedure weliswaar enige vergoeding is toegekend, maar de proceskosten veel hoger waren, zonder dat daar een goede rechtvaardiging voor bestond.
09-06-2026
(Zaaknaam: Erçin t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2026:0609JUD004462119, EHRC-2026-0161) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Na een botsing tussen de personenauto van M. (die op dat moment zwaar onder invloed van alcohol was) en de vrachtwagen van Aničić is de laatste strafrechtelijk vervolgd omdat hij onzorgvuldig weggedrag zou hebben vertoond. Hij kreeg een boete en ontzegging van zijn rijbewijs voor vijf maanden. Met vier stemmen tegen drie oordeelt het Hof dat de strafrechtelijke procedure tegen Aničić voldoende zorgvuldig is geweest. Bij minder zware strafzaken hoeven niet alle waarborgen van art. 6 EVRM evenzeer te gelden en gebleken is niet dat er omstandigheden waren waardoor Aničić sterk in zijn verdediging is aangetast.
09-06-2026
(Zaaknaam: Aničić t. Servië, ECLI:CE:ECHR:2026:0609JUD003663922, EHRC-2026-0156) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In Zwitserland geldt voor mannen van Zwitserse nationaliteit de militaire dienstplicht. Als zij daarvan worden uitgezonderd – bijvoorbeeld wegens gezondheidsredenen – moeten ze een compenserende belasting betalen. Het EHRM acht het redelijk dat deze belasting alleen aan Zwitserse mannen wordt opgelegd. Voor buitenlandse staatsburgers en vrouwen geldt namelijk niet de dienstplicht, zodat zij ook geen compensatie hoeven te betalen als zij daarvan worden uitgezonderd. De uitzondering van buitenlandse staatsburgers en vrouwen is bovendien gerechtvaardigd door redenen van staatsveiligheid en organisatie van de strijdkrachten. Art. 4 lid 3 (b) en art. 14 EVRM zijn dan ook niet geschonden.
04-06-2026
(Zaaknaam: Brun t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2026:0604JUD005088616, EHRC-2026-0157) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Albertani heeft onder invloed van een psychose haar zus vermoord en geprobeerd ook haar moeder te doden. Vanwege gedeeltelijke ontoerekeningsvatbaarheid oordeelde de nationale rechter dat ze in een speciale gevangenisafdeling moest worden behandeld. Toen deze afdeling werd afgeschaft werd ze overgeplaatst naar een reguliere gevangenis. Omdat ze daar niet de nodige behandeling heeft gekregen, acht het EHRM art. 3 EVRM geschonden. Daarnaast was de detentie in dit reguliere gevangenisregime niet verenigbaar met art. 5 lid 1 EVRM.
04-06-2026
(Zaaknaam: Albertani t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2026:0604JUD001599420, EHRC-2026-0155) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Een NGO wilde tijdens een staatsbezoek van de Chinese president aan Servië demonstreren tegen de vervolging van (leden van de) Falun Gong-beweging in China. De aangekondigde demonstraties werden verboden omdat de politie vreesde voor confrontaties met aanhangers van de Chinese president. Het EHRM overweegt dat het risico voor confrontatie speculatief was, en dat zelfs bij een bestaand risico positieve verplichtingen bestaan om demonstraties zoveel mogelijk te faciliteren. Nu hier ook nog geen goede rechtsbescherming bestond, zijn art. 11 en art. 13 EVRM geschonden.
02-06-2026
(Zaaknaam: Serbian-Chinese Friendship Society FDH t. Servië, ECLI:CE:ECHR:2026:0602JUD005493620, EHRC-2026-0168) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Sinds 2002 is onderneming OÜ Parem Kallas in vrijwel permanente onderhandeling geweest met een gemeente over de aankoop van een stuk grond. De onderneming heeft verschillende gunstige prijzen afgewezen en heeft uiteindelijk, in 2022, ingestemd met aankoop door de gemeente voor een relatief laag bedrag. De procedure bij het EHRM betreft haar stelling dat de staat vertragingsschade had moeten betalen. Gelet op de omstandigheden van het geval en de nationale rechterlijke beoordeling oordeelt het EHRM dat de onderneming geen excessieve en individuele last te dragen heeft gekregen. Art. 1 EP EVRM is dan ook niet geschonden.
02-06-2026
(Zaaknaam: OÜ Parem Kallas, ECLI:CE:ECHR:2026:0602JUD001844023, EHRC-2026-0165) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Bij een aanhouding is Mintehs telefoon in beslag genomen. Bij een huiszoeking zijn nog drie andere telefoons gevonden. Minteh weigerde de toegangscode van de telefoons aan de politie te geven, hetgeen in Frankrijk een zelfstandig strafbaar feit is dat heeft geleid tot oplegging van een sanctie. Van een schending van het zwijgrecht is volgens het Hof geen sprake. Verder gaat het hier om gegevens die onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaan en waartoe ook op een andere manier toegang kan worden verkregen. Daarmee is geen sprake van zelfincriminatie. De klacht over art. 6 lid 1 EVRM is niet-ontvankelijk.
19-05-2026
(Zaaknaam: Minteh t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2026:0519DEC002362420, EHRC-2026-0164)
Hof van Justitie van de Europese Unie
-
Hof van Justitie van de Europese Unie
In een Bulgaarse corruptiezaak komt bij de rechter de vraag op of hij onregelmatig verkregen bewijs volledig mag en moet uitsluiten, ook al is dat in het nadeel van de verdediging. Op zichzelf valt deze materie via de Overeenkomst inzake corruptie binnen het bereik van het Unierecht. Niettemin verklaart het HvJ EU de vragen over art. 19 lid 1 VEU niet-ontvankelijk omdat uitleg van deze bepaling niet tot relevante antwoorden kan leiden. Art. 47 Hv is via art. 51 lid 1 Hv niet van toepassing, omdat er geen Unierechtelijke regeling is die betrekking heeft op de specifieke materie van bewijswaardering.
11-06-2026
(Zaaknaam: Stogenchev, ECLI:EU:C:2026:469, EHRC-2026-0169) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
Een Marokkaanse heeft in Spanje gewoond en is na haar huwelijk naar Nederland gereisd, waar zij geen verblijfsrecht heeft. Met haar man, die in de bijstand zit, heeft zij een kind met de Nederlandse nationaliteit. Haar verzoek om een verblijfsvergunning is afgewezen en zij moet mogelijk terug naar Spanje. Het HvJ EU oordeelt dat bij die beslissing terdege rekening moet worden gehouden met het Unieburgerschap van het kind, dat in dit geval een duidelijke afhankelijkheidsrelatie heeft. In zo’n geval kan het zijn dat gedwongen overplaatsing naar Spanje in strijd komt met art. 7 en 24 Hv.
04-06-2026
(Zaaknaam: Safi, ECLI:EU:C:2026:442, EHRC-2026-0167) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
Tegen twee veroordeelde personen is een Europees Arrestatiebevel (EAB) uitgevaardigd met het oog op tenuitvoerlegging van de opgelegde straffen. Het EAB is echter geweigerd met het oog op de Aranyosi-uitzondering in verband met slechte detentieomstandigheden en het risico van schending van art. 4 Hv. Aanvullend hierop oordeelt het HvJ EU dat na zo’n weigering wel kan worden verlangd dat de uitvoerende lidstaat de bestraffing overneemt en daarmee ook zorgdraagt voor de mogelijkheid van reclassering van de veroordeelden.
04-06-2026
(Zaaknaam: Rugu en Aucroix, ECLI:EU:C:2026:441, EHRC-2026-0166) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
De rechtbank Zwolle heeft in een zaak over afwijzing van een asielverzoek prejudiciële vragen gesteld over haar rol bij het beoordelen van het asielrelaas en het risico van vervolging bij terugkeer. Het HvJ EU benadrukt dat de rechter steeds volledig, ex nunc, uitputtend en geactualiseerd onderzoek moet kunnen verrichten van de feitelijke en juridische elementen en de behoefte aan internationale bescherming. De standaard bij de beoordeling is of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat een risico van vervolging zich zal voordoen. Dit moet in het licht van de persoonlijke situatie van de asielzoeker worden beoordeeld.
04-06-2026
(Zaaknaam: Ebilum, ECLI:EU:C:2026:448, EHRC-2026-0160) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
Een Congolese vrouw werd in Italië vervolgd omdat zij haar dochter en nichtje illegaal het land had binnengebracht terwijl zij voor hen zorgde. Zij stelde dat zij was gevlucht voor ernstige bedreigingen en de kinderen wilde beschermen. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde dat een ouder of feitelijke verzorger die minderjarige kinderen onder zijn of haar gezag meeneemt bij een illegale grensoverschrijding, niet kan worden aangemerkt als mensensmokkelaar. Nationale wetgeving die een dergelijke gedraging toch strafbaar stelt, is in strijd met het Unierecht en de door het EU-Handvest beschermde grondrechten, waaronder het recht op gezinsleven en het belang van het kind.
03-06-2026
(Zaaknaam: Kinsa, ECLI:EU:C:2025:392, EHRC-2026-0163)