Update
Uitspraken van 19 mei 2026 tot 2 juni 2026
Redactie: J.H. Gerards, H. Morre, J. Krommendijk, S. Lambrecht, P. Ölçer, B. Aarrass, L.E. Burgers, P. Cannoot, L.R. Glas, C. Mak, D.A.G. van Toor en C. Van de Graaf.
Geachte lezer,
Voor u ligt nieuwsbrief 10 van EHRC Updates. In deze nieuwsbrief treft u een overzicht van de nieuwste uitspraken aan.
Veel leesplezier gewenst!
De redactie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
-
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In het Bulgaarse parlement is politicus Simeonov van leer getrokken jegens de Romabevolking, die hij afschilderde als een stelende, immorele, parasitaire groep. Romarechtenactivist Asenov heeft zich hierover beklaagd bij de Bulgaarse non-discriminatiecommissie en is in het gelijk gesteld, maar het hooggerechtshof heeft deze beslissing vernietigd. Vanwege de stereotyperende en haatzaaiende aard van de toespraak leverde deze volgens het Hof een inbreuk op art. 8 en 14 EVRM op. Deze rechten moeten worden afgewogen tegen de uitingsvrijheid, maar die heeft bij ‘hate speech’ maar beperkt gewicht. De rechterlijke uitspraak was daarom in strijd met art. 8 jo. 14 EVRM.
12-05-2026
(Zaaknaam: Asen Asenov t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2026:0512JUD003874119, EHRC-2026-0125) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
B.M. is na seksueel misbruik van minderjarigen in preventieve detentie genomen, vanwege de psychiatrische stoornissen van B.M. en het daarmee samenhangende gevaar dat hij vormt voor de samenleving, in het bijzonder voor kinderen. Het EHRM overweegt dat een redelijke beoordeling is uitgevoerd van de situatie in het licht van recente psychiatrische rapporten en dat niet is gebleken dat B.M. in ondeugdelijke omstandigheden is gedetineerd. Art. 3, 5 lid 1 en 8 EVRM zijn daarom niet geschonden. Wel is er een schending van art. 5 lid 4 EVRM, nu B.M. niet is gehoord bij een recente rechterlijke herbeoordeling van de detentie.
12-05-2026
(Zaaknaam: B.M. t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2026:0512JUD005022721, EHRC-2026-0126) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Eisenauer en anderen hebben – ondanks een voorrangsregeling – niet binnen redelijke termijn een passende sociale huurwoning toegewezen gekregen. In Frankrijk is het recht op huisvesting afdwingbaar middels door de rechter op te leggen dwangsommen en schadevergoedingen, maar vanwege het woningtekort konden definitief geworden rechterlijke uitspraken toch niet worden nageleefd. Het EHRM overweegt dat het Franse systeem goed in elkaar zit, en dat hier vooral sprake is van een overmachtsituatie omdat het huisvestingstekort niet snel kan worden verholpen. De niet-naleving van de rechterlijke uitspraken is daarom niet strijdig met art. 6 lid 1 EVRM.
12-05-2026
(Zaaknaam: Eisenauer e.a. t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2026:0512JUD004709022, EHRC-2026-0129) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
De Marokkaanse Fal woont met een Marokkaanse echtgenote en twee dochters in Spanje. Vanwege betrokkenheid bij een jihadistische terroristische organisatie is hem een uitzettingsbevel met inreisverbod opgelegd. Het EHRM acht dit in de omstandigheden niet onredelijk. De nationale rechters hebben terdege rekening gehouden met zijn gezinsbelangen. Hij zou zijn gezinsleven in Marokko zonder veel problemen kunnen voortzetten. Verder is hij in Spanje gebrekkig geïntegreerd en is hij afhankelijk van het socialezekerheidssysteem. De uitzetting komt dan ook niet in strijd met art. 8 EVRM.
12-05-2026
(Zaaknaam: Fal t. Spanje, ECLI:CE:ECHR:2026:0512JUD002582823, EHRC-2026-0130) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Een vakbond heeft in 2020 een reeks stakingen in de sociale sector aangekondigd, maar moest eerst nog onderhandelen met de regering over het minimumniveau van nog te bieden voorzieningen. Die onderhandelingen mislukten en een procedure daarover duurde ruim een jaar, waardoor de stakingsdata ongebruikt verliepen. Het feit dat in deze periode de coronapandemie speelde kan volgens het EHRM geen rechtvaardiging opleveren voor de vertragingen. Nu daardoor het krachtige stakingsinstrument niet kon worden benut, is art. 11 EVRM geschonden.
12-05-2026
(Zaaknaam: Trade Union of Social Sector Workers e.a. t. Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2025:0512JUD003314421, EHRC-2026-0139) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
X en Y zijn in pleegzorg genomen door L. Y wilde graag bij L. blijven wonen, maar X werd geadopteerd door een buitenlands gezin. Door de adoptie is het contact tussen X en Y verbroken, hetgeen Y in strijd met art. 8 EVRM acht. Het EHRM overweegt dat het hier in X’ belang was dat hij zou worden geadopteerd, ook al omdat pleegzorg een tijdelijke oplossing was, terwijl Y zelf graag bij L. wilde blijven wonen. Er zijn bovendien geen internationale verplichtingen die behoud van contact tussen broers en zussen na adoptie verzekeren. Art. 8 EVRM is daarom niet geschonden.
12-05-2026
(Zaaknaam: Y t. Servië, ECLI:CE:ECHR:2026:0512JUD002832220, EHRC-2026-0140) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Batou organiseerde in 2019 een demonstratie ter gelegenheid van Internationale Vrouwendag. Volgens de voorwaarden waaronder de demonstratie was geautoriseerd was zij als hoofdorganisator persoonlijk verantwoordelijk voor het goede verloop ervan. Omdat is gebleken van enkele misdragingen tijdens de demonstratie (graffiti spuiten, vuurwerk afsteken, afwijken van de route) en Batou dat niet had kunnen voorkomen, heeft zij een strafrechtelijke boete opgelegd gekregen. Het EHRM acht dit een schending van art. 11 EVRM, onder meer omdat de misdragingen beperkt van aard waren, Batou niet verwijtbaar heeft gehandeld en het chilling effect van de strenge regel groot was.
07-05-2026
(Zaaknaam: Batou t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2026:0507JUD003078122, EHRC-2026-0127) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Jurić heeft in 2013 van B.J. een huis geërfd met een toegangsweg die ook door derden werd gebruikt en die in 2000 was geasfalteerd. In 2014 werd de weg als ‘niet-geclassificeerde weg’ aangemerkt en daardoor werd deze eigendom van de staat. Jurić wilde hierover procederen omdat dit volgens haar een feitelijke onteigening was, maar haar zaak was niet-ontvankelijk: volgens de rechter was de weg al door de asfaltering publiek eigendom geworden en was de verjaringstermijn verstreken. Het EHRM acht dit een zodanig onvoorzienbare uitleg dat het recht op toegang tot de rechter (art. 6 lid 1 EVRM) is geschonden.
07-05-2026
(Zaaknaam: Jurić t. Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2026:0507JUD005177121, EHRC-2026-0133) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Konstantinou is in 2023 afgewezen voor een functie als rechtbankpresident, hoewel hij op het relevantste criterium (senioriteit) bovenaan stond. Hij wilde daarover procederen, maar omdat de beslissing was genomen tijdens een hervorming van de rechterlijke macht, was dat niet mogelijk. Toen de hervorming eenmaal was afgerond kon hij ook niet meer procederen omdat rechters zich onbevoegd verklaarden om over de tussentijds genomen beslissingen te oordelen. Volgens het EHRM is er geen reden om aan te nemen dat het hervormingsproces door dit soort procedures zouden worden bedreigd, terwijl de rechtsbescherming wel ernstig is aangetast. Art. 6 EVRM is dan ook geschonden.
07-05-2026
(Zaaknaam: Konstantinou t. Cyprus, ECLI:CE:ECHR:2026:0507JUD003686223, EHRC-2026-0134) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Şener woont sinds 1989 in Polen op basis van tijdelijke verblijfsvergunningen. Nadat hij in 2016 voor een derde keer is veroordeeld worden zijn gegevens – zonder dat hij dit weet – opgenomen in een register voor ongewenstverklaarden en in het Schengen Informatiesysteem. Als hij in 2021 na een vakantie in Turkije wil terugkeren naar Polen, wordt hem daardoor de toegang geweigerd. Het EHRM oordeelt dat dit de facto een uitzetting oplevert. Doordat hij geen informatie over de registratie en redenen daarvoor heeft gekregen, heeft hij onvoldoende rechtsbescherming gekregen. Zowel art. 1 P7 als art. 8 EVRM zijn daardoor geschonden.
07-05-2026
(Zaaknaam: Şener t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2026:0507JUD005337118, EHRC-2026-0137) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Het EHRM heeft eerder geoordeeld dat het ontslag van rechter Gerovska-Popchevska door de Noord-Macedonische Raad voor de rechtspraak (SJC) niet voldeed aan de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Het spreekt zich nu uit over de herbeoordeling van de zaak door de SJC na heropening van de tuchtzaak. Weliswaar kan de SJC in algemene zin worden gezien als ‘gerecht’, maar bij de herbeoordeling was een samenstelling betrokken die naar nationaal recht niet is toegestaan. Daardoor kan niet worden gesproken van een ‘bij wet ingesteld’ gerecht in de zin van art. 6 lid 1 EVRM, zodat deze bepaling is geschonden.
05-05-2026
(Zaaknaam: Gerovska-Popchevska t. Noord-Macedonië (nr. 2), ECLI:CE:ECHR:2026:0505JUD003098920, EHRC-2026-0131) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Lárus Welding is veroordeeld door een rechtbank waarvan een expert-lekenrechter deel uitmaakte. In de nationale procedure en voor het EHRM verzet hij zich tegen de inzet van dit soort rechters. Met een kleine meerderheid van vier rechters oordeelt een Kamer van het EHRM dat deze inzet niet in strijd is met art. 6 EVRM. Er zijn voldoende waarborgen voor de onafhankelijkheid van expert-lekenrechters, met name om persoonlijke, financiële of professionele beïnvloeding door de benoemende rechtbankpresident te voorkomen. Ook kunnen partijen rechtsmiddelen aanwenden tegen de aanwijzing van een expert-lekenrechter, zoals een wrakingsprocedure.
05-05-2026
(Zaaknaam: Lárus Welding t. IJsland, ECLI:CE:ECHR:2026:0505JUD002499921, EHRC-2026-0135) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Na de couppoging in 2016 is Yasak veroordeeld wegens lidmaatschap van de illegale terroristische organisatie FETÖ/PDY. Het Hof oordeelde eerder dat die veroordeling voldoende voorzienbaar was en dat de gevangenisomstandigheden niet strijdig waren met het EVRM. De Grote Kamer oordeelt nu dat door tekortkomingen in de rechterlijke beoordeling niet kon blijken dat Yasak bewijsbaar betrokken was bij strafbare feiten. Dit is volgens 11 van de 17 rechters in strijd met art. 7 EVRM. Met 9 tegen 8 stemmen oordeelt de Grote Kamer dat door de overbezetting van de gevangenis, in samenhang met andere problemen, ook art. 3 EVRM is geschonden.
05-05-2026
(Zaaknaam: Yasak t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2026:0505JUD001738920, EHRC-2026-0141)
Hof van Justitie van de Europese Unie
-
Hof van Justitie van de Europese Unie
Het HvJ EU heeft eerder in een zaak over een Hongaarse regeling tot intrekking van rechten van vruchtgebruik geoordeeld dat deze regeling strijd oplevert met art. 63 VWEU en art. 17 Hv. De regeling is aangepast en er is schadevergoeding geboden aan benadeelde vruchtgebruikers. Het HvJ EU oordeelt nu dat de eerdere schending van art. 63 VWEU en art. 17 Hv met de nieuwe regeling niet voldoende wordt gecompenseerd. Reden daarvoor is in het bijzonder dat gederfde winst maar in beperkte mate door de nieuwe regeling wordt gedekt.
13-05-2026
(Zaaknaam: BRANDL, ECLI:EU:C:2026:398, EHRC-2026-0128) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
In Italië is een compensatieregeling vastgesteld voor gevallen waarin aanbieders van diensten op Facebook gebruik maken van perspublicaties. Exploitant Meta heeft zich hiertegen verzet, onder meer omdat de compensatieregeling in strijd zou zijn met de ondernemingsvrijheid van art. 16 Hv. Het HvJ EU oordeelt dat de compensatieregeling redelijk is. De ondernemingsvrijheid is niet onbegrensd en laat nationale beperkingen toe. Die dienen in dit geval redelijke doelstellingen en staan daartoe in een redelijke verhouding. Ook wordt een goed evenwicht bereikt tussen art. 16 enerzijds en art. 11 lid 2 en 17 lid 2 anderzijds.
12-05-2026
(Zaaknaam: Meta Platforms Ireland (compensation équitable), ECLI:EU:C:2026:395, EHRC-2026-0136) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
X en Y zijn veroordeeld tot een levenslange respectievelijk een langdurige gevangenisstraf. In verband daarmee is hun verblijfsvergunning ingetrokken en is hun een terugkeerbevel en een inreisverbod opgelegd. Het HvJ EU overweegt dat een langdurige of levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in de weg hoeft te staan aan zo’n terugkeerbevel, ook al kan dat niet ten uitvoer worden gelegd zolang iemand zijn straf uitzit. Wel moet bij het einde van de straf worden onderzocht of de omstandigheden niet zodanig zijn gewijzigd dat er een risico is ontstaan van strijd met het refoulementverbod. Daarbij moet ook voldoende rechtsbescherming worden geboden.
12-05-2026
(Zaaknaam: Shamsi, ECLI:EU:C:2026:397, EHRC-2026-0138) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
In Italië kunnen mensen – inclusief erkende vluchtelingen met een verblijfsvergunning – alleen een basisinkomen krijgen als ze minimaal tien jaar in het land hebben gewoond. Het HvJ EU oordeelt dat dit indirecte discriminatie op grond van nationaliteit oplevert, ten nadele van mensen met een vluchtelingenstatus. Het recht op een minimuminkomen kan volgens richtlijn 2011/95 niet afhankelijk worden gemaakt van de duur van hun aanwezigheid in een lidstaat, zonder dat de doelstellingen daarvan worden doorkruist. Het stellen van de voorwaarde van stevige worteling is dan ook niet aanvaardbaar.
07-05-2026
(Zaaknaam: INPS (Assistance sociale et accès à l’emploi – Discrimination indirecte), ECLI:EU:C:2026:376, EHRC-2026-0132)