Update
Uitspraken van 16-12-2025 tot 26 januari 2026
Redactie: J.H. Gerards, H. Morre, J. Krommendijk, S. Lambrecht, P. Ölçer, B. Aarrass, L.E. Burgers, P. Cannoot, L.R. Glas, C. Mak, D.A.G. van Toor en C. Van de Graaf.
Geachte lezer,
Voor u ligt nieuwsbrief 1 van EHRC Updates. In deze nieuwsbrief treft u een overzicht van de nieuwste uitspraken aan.
Veel leesplezier gewenst!
De redactie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
-
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
De klagers, Tafzi el Hardi en El Indrissi Mouch, werkten als begeleiders in een wooncentrum voor minderjarigen. Deze wooncentra werden in 2011 in een krantenartikel onder vuur genomen, waarbij werd gesteld dat ze broedplaatsen waren voor radicalisering van moslimjongeren. Het centrum waar de klagers werkten en de klagers zelf werden daarbij als voorbeeld genoemd. De klagers hebben hierover een civiele lasterprocedure gevoerd, maar zijn in het ongelijk gesteld. Het EHRM ziet hierin geen schending van art. 8 EVRM, onder meer omdat het ging om belangrijke, goed gecheckte uitingen en de reputatie van de klagers hierdoor niet onevenredig zwaar is geraakt.
08-01-2026
(Zaaknaam: Tafzi el Hardi en El Indrissi Mouch t. Spanje, ECLI:CE:ECHR:2026:JUD0108JUD000755723, EHRC-2026-0025) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In de jaren ’80 liep er een arbitrageprocedure tussen CIR en een onderneming waarvan Berlusconi voorzitter was. Berlusconi’s onderneming werd in het gelijk gesteld, maar later bleek dat een van de rechters was omgekocht. CIR heeft daarom in een civiele zaak 459 miljoen schadevergoeding gekregen. Het EHRM acht het niet onredelijk dat CIR koos voor een schadevergoedingsprocedure, die bovendien eerlijk en goed is verlopen, op de motivering van de proceskostenvergoeding na. Art. 6 en art. 1 EP EVRM zijn daardoor (goeddeels) niet geschonden. Evenmin is de onschuldpresumptie jegens Berlusconi aangetast doordat in het schadevergoedingsoordeel is verwezen naar de strafvervolgingen.
08-01-2026
(Zaaknaam: Finanziaria D’Investimento Fininvest S.P.A. en Berlusconi t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2026:0108JUD002353814, EHRC-2026-0022) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Ferrieri en Bonassisa kregen bericht dat hun bank op verzoek van de belastingdienst bank- en transactiegegevens had doorgegeven. Hiermee wordt inbreuk gemaakt op hun privéleven. De regeling die de discretionaire bevoegdheid toekent om informatie te vragen bevat daarvoor nauwelijks relevante criteria. Dergelijke criteria staan alleen in niet-bindende circulaires. Voorafgaand rechterlijk toezicht ontbreekt en het is niet mogelijk om bij de bestuursrechter zelfstandig op te komen tegen een informatieverzoek. In die omstandigheden wordt niet aan het wettigheidsvereiste van art. 8 EVRM voldaan. Het EHRM adviseert onder art. 46 om via wetgeving en rechtspraak in dit rechtstekort te voorzien.
08-01-2026
(Zaaknaam: Ferrieri en Bonassisa t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2026:0108JUD004060719, EHRC-2026-0021) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Profvoetballer Yokuşlu had via zijn advocaat laten weten dat hij ontslag zou aanzeggen als zijn salaris niet werd uitbetaald. Zijn club betaalde, maar Yokuşlu vergat dat te vertellen aan de advocaat, die daarop het ontslag aanzegde. De voetbalfederatie honoreerde dit en de arbitragecommissie oordeelde dat dit besluit onherroepelijk was. Het EHRM erkent dat aanpassingen in het sportarbitragerecht zijn gemaakt naar aanleiding van zijn uitspraak in Ali Rıza t. Turkije, maar die gaan nog niet ver genoeg. Art. 6 EVRM is ook in dit geval geschonden. De aantasting van Yokuşlu’s privéleven was niet zodanig dat art. 8 EVRM van toepassing is.
06-01-2026
(Zaaknaam: Yokuslu t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2026:0106JUD000048924, EHRC-2026-0028) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Altıner Akıncı is al jaren actief als professioneel volleybalscheidsrechter. In 2021 en 2022 heeft de Turkse Volleybalfederatie echter besloten dat zij niet mocht ingaan op uitnodigingen van de Internationale Volleybalfederatie om bij internationale toernooien als scheidsrechter op te treden. De Turkse Sportarbitrageraad heeft dit gebillijkt omdat de Volleybalfederatie een volledig discretionaire bevoegdheid had. Het EHRM oordeelt dat de Sportarbitrageraad een voldoende onafhankelijk en onpartijdig gerecht is, maar dat deze in strijd met art. 6 EVRM geen ‘full jurisdiction’ had om de beslissingen van de Volleybalfederatie te toetsen. Akıncı’s privéleven is niet zodanig aangetast dat art. 8 EVRM van toepassing is.
06-01-2026
(Zaaknaam: Altiner Akinci t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2026:0106JUD000957023, EHRC-2026-0017) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In 2009 zijn drie curatoren aangewezen voor de afwikkeling van een faillissement, waaronder Latorre Atance. Toen later bleek dat de curatoren onzorgvuldig waren geweest bij de afhandeling van belastingschulden werden zij voor het voldoen daarvan persoonlijk aansprakelijk gesteld. In de procedures daarover oordeelde dezelfde rechtsprekende formatie dat slechts twee van de drie aansprakelijk waren. Het EHRM stelt vast dat daardoor volstrekt tegengestelde uitspraken zijn gedaan in procedures die overigens volledig vergelijkbaar waren, zonder dat daarvoor een duidelijke reden bestond. Dit levert strijd met het rechtszekerheidsbeginsel op, en daarmee met art. 6 lid 1 EVRM.
18-12-2025
(Zaaknaam: Latorre Atance t. Spanje, ECLI:CE:ECHR:2025:1218JUD003381822, EHRC-2026-0024) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Vijf advocaten verdedigen Z. in twee strafrechtelijke procedures. Tijdens het vooronderzoek heeft een huiszoeking plaatsgevonden waarbij een telefoon en een tablet in beslag zijn genomen. Daarop bevindt zich ook geprivilegieerde correspondentie tussen de advocaten en hun cliënt. Ondanks bezwaren is die informatie in het dossier opgenomen. Het Hof stelt vast dat de Tsjechische wetgeving te weinig waarborgen biedt om deze correspondentie te beschermen en bovendien onvoldoende duidelijk is. Daarnaast is in de strafzaak ten onrechte geen ruimte geboden om te reageren op de inbreng van een interveniërende partij. Dit levert schendingen op van art. 6, 8 en 13 EVRM.
18-12-2025
(Zaaknaam: Cerny e.a. Tsjechië, ECLI:CE:ECHR:2025:2518JUD003751420, EHRC-2026-0019) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Z heeft in 2022 zijn twee kinderen vanuit Rusland naar Finland overgebracht en heeft daar asiel aangevraagd. Dit asielverzoek is uiteindelijk toegewezen. De moeder van de kinderen heeft een verzoek tot terugkeer na kinderontvoering ingediend, dat in hoogste instantie is toegewezen. Het EHRM acht dat niet onredelijk, nu de nationale rechters alle relevante criteria in acht hebben genomen. Bovendien moet rekening worden gehouden met de doelstellingen van de Haagse Conventie over kinderontvoering, waarbij een ontvoerende ouder niet van het eigen gedrag mag profiteren. Art. 8 EVRM is door het terugkeerbevel dan ook niet geschonden.
16-12-2025
(Zaaknaam: Z e.a. t. Finland, ECLI:CE:ECHR:2025:1216JUD004275823, EHRC-2026-0029) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Een onderneming van Vekua heeft in 1991 enkele stukken grond in eigendom gekregen. In 2012 wordt een strafrechtelijk onderzoek ingesteld omdat de eigendomsverkrijging was gebaseerd op vervalste papieren en Vekua werd verdacht van fraude. De zaak is uiteindelijk wegens verjaring geseponeerd. In een civiele en administratiefrechtelijke procedure is vervolgens aangenomen dat de eigendomsverkrijging op de vervalsing was gebaseerd en dat Vekua daarvan voordeel heeft gehad. Hoewel ongelukkig geformuleerd, acht het EHRM dit verenigbaar met de onschuldpresumptie, zodat art. 6 lid 2 EVRM niet is geschonden.
16-12-2025
(Zaaknaam: Vekua t. Georgië, ECLI:CE:ECHR:2025:1216JUD004353722, EHRC-2026-0027) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In een civielrechtelijk geschil over leeftijdsdiscriminatie heeft Gondert het Duitse Bundesgerichtshof verzocht om prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ EU over de uitleg van EU-richtlijn 2000/78. Het Bundesgerichtshof heeft dit verzoek afgewezen, maar heeft daarvoor geen inhoudelijke motivering gegeven. Nu het verzoek in dit geval precies en goed beargumenteerd was, had daarmee niet kunnen worden volstaan. Tenminste moet dan aan de hand van de CILFIT-criteria worden toegelicht dat prejudiciële vragen niet nodig zijn. Het ontbreken van iedere motivering is in ieder geval in strijd met art. 6 lid 1 EVRM.
16-12-2025
(Zaaknaam: Gondert t. Duitsland, ECLI:CE:ECHR:2025:1216JUD003470121, EHRC-2026-0023) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In totaal 139 organisaties en mensen die deel uitmaakten van de entourage en de organisatie van de overleden Russische oppositieleider Navalny zijn bij het Hof opgekomen tegen maatregelen die het voeren van oppositie onmogelijk hebben gemaakt (ontbinding, huiszoeking, bestraffing wegens reposten van mediaberichten, enzovoort). Het EHRM oordeelt in lijn met eerdere rechtspraak dat hiervoor geen enkele legitieme grondslag bestond en dat daarmee art. 8, 10, 11 en 1 EP EVRM zijn geschonden. Het ziet bovendien een patroon van steeds verdergaande ontmanteling van democratische instituties en van onderdrukking van iedere vorm van politieke oppositie, zodat ook art. 18 EVRM is geschonden.
16-12-2025
(Zaaknaam: Anti-Corruption Foundation (FBK) e.a. t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2025:1216JUD001350520, EHRC-2026-0018) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Een Roemeense rechter plaatste in 2019 twee Facebookberichten waarin hij kritiek uitte op ontwikkelingen in de Roemeense rechtsstaat. Daarvoor kreeg hij een tuchtsanctie opgelegd: een salarisverlaging gedurende twee maanden. Een Kamer van het Hof oordeelde in 2024 dat dit in strijd was met de door art. 10 EVRM beschermde uitingsvrijheid. De Grote Kamer bevestigt dat nu met tien stemmen tegen zeven. Gelet op het belang van het onderwerp moet ook een rechter zich kritisch kunnen uitspreken. De nationale rechters hebben dat onvoldoende onderkend en bovendien een zware sanctie opgelegd, die kan zorgen voor een ongewenst chilling effect op kritische rechters.
15-12-2025
(Zaaknaam: Danilet t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2025:1215JUD001691521, EHRC-2026-0020) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In 2019 werden tijdens een grote demonstratie in Georgië gericht zo’n 800 rubberkogels op de demonstranten afgevuurd. Een Kamer van het EHRM heeft in 2024 al geoordeeld dat art. 3 EVRM in procedureel opzicht is geschonden doordat het onderzoek ontoereikend was. Dit oordeel herhaalt de Grote Kamer nu. Daarnaast gaat het in op drie klachten die de Kamer onbehandeld liet. Het oordeelt dat het grootschalige en onvoorbereide gebruik van rubberkogels ook materieel in strijd is met art. 3 EVRM. Daarnaast zijn de uitingsvrijheid van journalisten en de demonstratievrijheid geschonden, in strijd met art. 10 en 11 EVRM.
11-12-2025
(Zaaknaam: Tsaava e.a. t. Georgië, ECLI:CE:ECHR:2025:1211JUD0013186/20, EHRC-2026-0026) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Het Zwitserse OM heeft Nejjar een boete opgelegd. Zij wilde daartegen beroep instellen, maar kwam niet naar de zitting, beweerdelijk door overmacht. In Zwitserland geldt bij een no-show de aanname dat iemand toch geen beroep wil instellen. Het EHRM begrijpt dat daarmee wordt geprobeerd een efficiënte rechtsbedeling te garanderen, maar wijst erop dat (zeker hier) niet altijd sprake is van een vrijwillige afstand van het beroepsrecht. Zeker als het gaat om relatief hoge sancties, kan de wettelijke veronderstelling het recht op toegang tot de rechter in de kern raken. Deze veronderstelling is dan ook in strijd met art. 6 EVRM.
11-12-2025
(Zaaknaam: Nejjar t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2025:1211JUD000908718, EHRC-2026-0009) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In 2014 werd het lichaam van korporaal A.D. gevonden bij de legerbarakken waar hij verbleef. Volgens de autoriteiten heeft hij na een mislukte liefdesrelatie zelfmoord gepleegd, maar zijn moeder twijfelt aan die lezing. Het EHRM stelt vast dat er in het onderzoek talrijke tekortkomingen waren die maken dat het niet effectief was. Ook is nooit onomstotelijk vast komen te staan of A.D. inderdaad zelfmoord heeft gepleegd en zo ja, waarom. Vanwege de verantwoordelijkheid van de staat voor het leven van militairen oordeelt het Hof dat Italië zowel zijn preventieve als zijn procedurele positieve verplichtingen onder art. 2 EVRM heeft geschonden.
11-12-2025
(Zaaknaam: Intranuovo t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2025:1211JUD004656919, EHRC-2026-0008) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Twee advocaten hebben op basis van een toevoeging cliënten bijgestaan en hebben recht op een vergoeding daarvoor. Het duurt echter langer dan een jaar (in een geval zelfs meer dan vier jaar) voordat de uitbetaling plaatsvindt. Het EHRM overweegt dat het hier gaat om te honoreren vermogensrechtelijke aanspraken die binnen art. 1 EP EVRM vallen. Hoewel enige vertraging te billijken kan zijn, moet betaling behoudens uitzonderlijke omstandigheden binnen een jaar plaatsvinden. Nu goede redenen voor de vertraging hier ontbraken, is het door art. 1 EP EVRM beschermde eigendomsrecht geschonden.
11-12-2025
(Zaaknaam: Diaco en Lenchi t. Italië, ECLI:CE:ECHR:2025:1211JUD001558710, EHRC-2026-0004) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Kucera heeft een bestuurlijke boete opgelegd gekregen en wilde daarover procederen. Deze procedure werd gevoerd in het najaar van 2020, toen de tweede coronagolf gaande was. Om verspreiding van het virus te voorkomen werd gekozen voor een digitale hoorzitting. Het EHRM acht die keuze in algemene zin te billijken gelet op de uitzonderlijke omstandigheden. In het onderhavige geval heeft de digitale zitting ook niet geleid tot een aantasting van het recht op een eerlijk proces, onder meer omdat openbaarheid was gewaarborgd en Kucera ruimte had om vertrouwelijk met zijn advocaat te communiceren. Art. 6 EVRM is dan ook niet geschonden.
09-12-2025
(Zaaknaam: Stephan Kucera t. Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2025:1209JUD001381022, EHRC-2026-0013) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
H.H. is in 2020 een groot aantal keren, steeds voor kortere perioden, gedwongen opgenomen in een psychiatrische inrichting. Daarbij is haar ook gedwongen medicatie toegediend. Zij heeft hierover geprocedeerd en heeft daarbij gevraagd om een mondelinge zitting. Die is haar geweigerd omdat er geen reden was om af te wijken van de gebruikelijke schriftelijke procedure. Het EHRM overweegt dat die reden er hier wel degelijk was gelet op het bijzondere verloop van de opnames en andere bijzonderheden van de situatie van H.H. Door dit te weigeren heeft Finland gehandeld in strijd met art. 5 lid 4 EVRM.
09-12-2025
(Zaaknaam: H.H. t. Finland, ECLI:CE:ECHR:2025:1209JUD001903521, EHRC-2026-0006) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Aykaç is aangehouden wegens betrokkenheid bij de terroristische organisatie PKK. Hij is twee keer verhoord buiten aanwezigheid van een advocaat en heeft in de strafzaak afwezige getuigen niet persoonlijk kunnen bevragen. Turkije heeft een eenzijdige verklaring afgegeven waarin de staat de schending erkende en heropening beloofde. Turkse rechters hebben deze heropening echter afgewezen omdat er geen EHRM-oordeel lag. Vanwege de algemene verplichting van de staat om zijn beloftes onder het EVRM na te komen neemt het Hof de zaak weer op de rol en stelt het schendingen vast van art. 6 lid 1 en lid 3 (c) en (d) EVRM.
09-12-2025
(Zaaknaam: Aykac t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2025:1209JUD003122609, EHRC-2026-0001) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Ortega Ortega heeft bij haar werkgever geklaagd over ongelijke beloning ten opzichte van haar mannelijke collega’s. Om die ongelijke beloning te kunnen aantonen heeft ze salarisinformatie van anderen gedeeld. Haar verzoek om gelijke beloning werd afgewezen en vervolgens werd zij ontslagen vanwege het onrechtmatig delen van de vertrouwelijke persoonsgegevens. In de procedure die zij hierover voerde is de nationale rechter volgens het EHRM niet goed omgegaan met de botsing van het discriminatieverbod en het recht op persoonsgegevensbescherming. Met name heeft de rechter onvoldoende gewicht toegekend aan de achtergrond van discriminatie en victimisatie. Daardoor is art. 8 jo. 14 EVRM geschonden.
04-12-2025
(Zaaknaam: Ortega Ortega t. Spanje, ECLI:CE:ECHR:2025:1204JUD003632522, EHRC-2026-0010) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In een civielrechtelijke zaak heeft De Simone bij het Duitse Bundesgerichtshof de uitleg van een EU-verordening over erkenning van buitenlandse vonnissen betwist. Het Bundesgerichtshof heeft zijn beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft niet – zoals De Simone wilde – prejudiciële vragen voorgelegd aan het HvJ EU. Daarvoor heeft het niet expliciet redenen gegeven. Het EHRM oordeelt dat zo’n expliciete motivering ook niet nodig is in een situatie als deze, waarin een procespartij alleen in algemene zin de verenigbaarheid met EU-recht betwist maar geen beredeneerd verzoek doet om prejudiciële vragen te stellen. Er is dan geen strijd met art. 6 lid 1 EVRM.
02-12-2025
(Zaaknaam: De Simone t. Duitsland, ECLI:CE:ECHR:2025:1202DEC002185323, EHRC-2026-0003) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Drie individuen en een milieuorganisatie hebben de Oostenrijkse federale minister van Digitale en Economische Zaken verzocht om een verbod op te leggen op de verkoop van fossiele brandstoffen. Dit is geweigerd omdat de minister daartoe niet bevoegd was. Het EHRM oordeelt dat de individuele klagers niet voldoende hebben aangetoond dat zij persoonlijk zijn geraakt door de afwijzing van het verzoek. Het slachtofferschap van de milieuorganisatie laat het Hof in het midden, omdat uit art. 8 EVRM hoe dan ook geen concrete aanspraak op een verbod zoals verzocht kan worden afgeleid. De klachten zijn dan ook niet-ontvankelijk.
18-11-2025
(Zaaknaam: Fliegenschnee e.a. t. Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2025:1118DEC004005423, EHRC-2026-0005) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In Taşdemir t. Turkije werd Selçuk Taşdemir van de Sivas Cumhuriyet Universiteit verwijderd wegens vermeende banden met de PKK-jeugdafdeling. Na afwijzing van zijn administratief beroep en zijn klacht bij het Grondwettelijk Hof stelde hij voor het Europees Hof dat zijn uitsluiting en de daaropvolgende belemmering om zich elders in te schrijven art. 2 Protocol 1 EVRM schonden. Op 25 maart 2025 verklaarde het Hof het verzoek niet-ontvankelijk wegens misbruik van individueel klachtrecht omdat een essentieel feit, namelijk zijn herinschrijving aan zijn eigen universiteit, was verzwegen zowel in zijn verzoekschrift voor het Hof in Straatsburg als de nationale rechter.
25-03-2025
(Zaaknaam: Taşdemir t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2025:0325DEC007954916, EHRC-2026-0015)
Hof van Justitie van de Europese Unie
-
Hof van Justitie van de Europese Unie
Een groep Syrische vluchtelingen wilde in Griekenland asiel aanvragen, maar is door Frontex overgebracht naar Turkije en is van daaruit doorgereisd naar Irak. Een verzoek om vergoeding van materiële en immateriële schade is bij het Gerecht van de EU afgewezen. Het HvJ EU vernietigt dit oordeel. Het overweegt dat Frontex wel degelijk aansprakelijk kan zijn bij samenwerkingsoperaties met lidstaten en dat het moet controleren of vreemdelingen wel een individueel uitzettingsbevel hebben. Verder kan wel degelijk een causaal verband bestaan tussen optreden van Frontex en de kosten geleden door doorreizen naar een derde land of kosten van rechtsbijstand door een advocaat.
18-12-2025
(Zaaknaam: WS e.a. t. Frontex, ECLI:EU:C:2025:976, EHRC-2026-0016) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
De ov-exploitant in Stockholm heeft zijn controleurs voorzien van bodycams om opnamen te kunnen maken bij bedreigingen en boeteoplegging. Volgens de Zweedse Autoriteit Persoonsgegevens is de werkwijze daarbij strijdig met de AVG. Het HvJ EU verduidelijkt in antwoord op prejudiciële vragen dat niet art. 14 AVG van toepassing is bij informatie die via bodycams wordt verzameld over passagiers, maar art. 13 AVG. Daardoor gelden er andere informatieverplichtingen, maar die kunnen eventueel op een gelaagde manier worden vervuld, bijvoorbeeld in algemene zin via een informatiebord en dan, in meer detail, op een andere passende en toegankelijke manier.
18-12-2025
(Zaaknaam: Storstockholms Lokaltrafik, ECLI:EU:C:2025:980, EHRC-2026-0014) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
CR en TP hebben een voorlopige koopovereenkomst gesloten met Soledil, waarin een mogelijk oneerlijk boetebeding is opgenomen. In de procedure hierover hebben CR en TP pas in cassatie naar voren gebracht dat het boetebeding mogelijk onrechtmatig was. Het HvJ EU benadrukt dat in het consumentenrecht ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen uitgangspunt is. Als lagere instanties dat niet hebben gedaan, of alleen impliciet, kan niet aan consumenten worden tegengeworpen dat zij niet al in lagere instantie de oneerlijkheid van het beding hebben aangekaart, zoals hier is gebeurd. Het doeltreffendheidsbeginsel en art. 47 Hv verzetten zich daartegen.
18-12-2025
(Zaaknaam: Soledil, ECLI:EU:C:2025:993, EHRC-2026-0012) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
In Denemarken worden bepaalde woongebieden aangemerkt als ‘tranformatiegebieden’ als ze enkele sociaal-economische achterstandskenmerken hebben en er meer dan 50% immigranten of hun nakomelingen van niet-westerse komaf wonen. In die gebieden kunnen in bepaalde omstandigheden huurovereenkomsten worden opgezegd om de sociale integratie te verbeteren. Het HvJ EU overweegt dat zo’n regeling directe discriminatie kan opleveren als vanwege de etnische afkomst alle bewoners ongunstiger worden behandeld, of indirecte discriminatie als de regeling een bijzonder nadeel oplevert voor bewoners die tot bepaalde etnische groepen behoren. Ook formuleert het HvJ EU uitgangspunten en criteria voor de beoordeling van de rechtvaardiging voor zo’n indirecte discriminatie.
18-12-2025
(Zaaknaam: Slagelse Almennyttige Boligselskab, Afdeling Schackenborgvænge, ECLI:EU:C:2025:1017, EHRC-2026-0011) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
De Syrische vluchteling Hamoudi is naar zijn zeggen slachtoffer geworden van een door Frontex aangestuurde pushbackactie. Hij heeft geprobeerd Frontex daar via een art. 268 VWEU-procedure voor aansprakelijk te stellen bij het Gerecht, maar het Gerecht oordeelde dat er te weinig bewijs was voor de operatie en Hamoudi’s slachtofferschap. Het HvJ EU oordeelt dat het Gerecht daarbij te strenge bewijseisen heeft gesteld. Het leveren van prima facie bewijs van een pushbackoperatie is voldoende om te maken dat het Gerecht nader onderzoek moet doen naar de feiten en omstandigheden en bijvoorbeeld ook nader documentatiemateriaal moet opvragen.
18-12-2025
(Zaaknaam: Hamoudi t. Frontex, ECLI:EU:C:2025:977, EHRC-2026-0007) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
In een niet-nakomingsprocedure van de Europese Commissie tegen Polen vanwege het handelen van het Poolse Constitutionele Hof stelt het HvJ EU de Commissie in het gelijk. De beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter vormen een essentieel onderdeel van de rechtsstatelijke EU-ordening. Na toetreding is een lidstaat verplicht om deze beginselen te respecteren. De samenstelling van het Poolse Constitutionele Hof voldoet hieraan niet. Vanwege de voorrang en primariteit van het Unierecht mag een nationale rechter niet eenzijdig beslissen om het Unierecht terzijde te stellen, zelfs niet als hij denkt dat ultra vires is gehandeld.
18-12-2025
(Zaaknaam: Commissie t. Polen (Contrôle ultra vires de la jurisprudence de la Cour – Primauté du droit de l’Union), ECLI:EU:C:2025:975, EHRC-2026-0002)