Update
Uitspraken van 18-11-2025 tot 01-12-2025
Redactie: J.H. Gerards, H. Morre, J. Krommendijk, S. Lambrecht, P. Ölçer, B. Aarrass, L.E. Burgers, P. Cannoot, L.R. Glas, C. Mak, D.A.G. van Toor en C. Van de Graaf.
Geachte lezer,
Voor u ligt nieuwsbrief 21 van EHRC Updates. In deze nieuwsbrief treft u een overzicht van de nieuwste uitspraken aan.
Veel leesplezier gewenst!
De redactie
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
-
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Stanev had als onderzoeker bij het Bulgaarse Helsinki-Comité informatie opgevraagd rondom twee incidenten waarbij migranten in de grensstreek om het leven waren gekomen. Deze informatie is geweigerd omdat Stanev de verkeerde procedure zou hebben benut. Het EHRM benadrukt de belangrijke rol van ngo’s voor informatievoorziening in een democratische samenleving. In dit geval was het recht op informatie duidelijk aan de orde. Gebleken is ook niet van goede, inhoudelijke redenen om het verzoek te weigeren. Dit levert een schending op van art. 10 EVRM.
18-11-2025
(Zaaknaam: Stanev en Bulgaars Helsinki-Comité t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2025:1118JUD005075617, EHRC-2025-0258) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Iskra is een onderneming die in 1964 een vergunning heeft gekregen om het gebied waar zij actief is te omheinen. Toen in 2015 Servië het gebied verder wilde ontwikkelen, richtte het land projectontwikkelingsonderneming Beograd op. Dat gaf opdracht het hek te slopen en deel van de grond te bezetten. Het EHRM oordeelt dat Beograd geen volledig private onderneming was, maar in feite een verlengstuk van de staat. Via Beograd heeft de staat duidelijk onrechtmatig gehandeld door zonder enige vorm van formele besluitvorming of rechtsbescherming het eigendom van Iskra aan te tasten. Dit vormt een schending van art. 1 EP EVRM.
18-11-2025
(Zaaknaam: Iskra DOO Beograd t. Servië, ECLI:CE:ECHR:2025:1118JUD005300221, EHRC-2025-0254) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Makunyan was lid van een oppositiepartij in Armenië toen hij werd benaderd door iemand van de Armeense nationale veiligheidsdienst. Tijdens een gesprek werd hij onder druk gezet om voor die dienst te werken en werden harde dreigementen geuit toen hij dat weigerde. Het EHRM overweegt dat uit het gesprek – dat Makunyan had opgenomen – is gebleken dat de staat veel persoonlijke informatie over hem had verzameld. Daardoor en door de dreigementen is inbreuk gemaakt op art. 8 EVRM, waarvoor geen rechtvaardiging bestond. Nu naar aanleiding van een klacht van Makunyan bovendien geen onderzoek is uitgevoerd, is art. 8 EVRM geschonden.
13-11-2025
(Zaaknaam: Makunyan t. Armenië, ECLI:CE:ECHR:2025:1113JUD000577817, EHRC-2025-0255) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Rechters Ilievska en Zdraveva zijn ontslagen door de Statelijke Raad voor de Rechtspraak (SJC). Een panel van de Hoge Raad heeft de zaak na vernietiging teruggestuurd naar de SJC, maar deze heeft het ontslag in stand gehouden. Het EHRM overweegt dat de SCJ en het panel een ‘gerecht’ zijn in de zin van het EVRM. Gelet op het grote belang van rechtsstatelijk correct handelen was het extra belangrijk dat een rechter had kunnen oordelen of de SCJ bij de herbeoordeling de juiste criteria in acht heeft genomen. Nu dat hier niet kon, is art. 6 lid 1 EVRM geschonden.
13-11-2025
(Zaaknaam: Ilievska en Zdraveva t. Noord-Macedonië, ECLI:CE:ECHR:2025:1113JUD001968921, EHRC-2025-0253) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Als een van de maatregelen ter bestrijding van de financiële crisis die uitbrak in 2008 is in Cyprus een tijdlang maandelijks een percentage ingehouden van de salarissen en pensioenen van alle ambtenaren. Het EHRM acht de rechtspraak hierover voldoende consistent. De inhoudingen waren bovendien gerechtvaardigd en niet onredelijk bezwarend voor de betrokkenen. Dat alleen bij de overheid salarissen zijn ingehouden en niet in de private sector, is redelijk omdat ambtenarensalarissen uit de nationale begroting worden betaald. Er is dan ook geen schending van art. 6, 1 EP of 1 P12.
13-11-2025
(Zaaknaam: Constantinou e.a. t. Cyprus, ECLI:CE:ECHR:2025:1113JUD007739614, EHRC-2025-0251) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
Abo is in 2000 veroordeeld wegens betrokkenheid bij een terroristische organisatie, onder andere op basis van verklaringen die Abo zonder bijstand van een advocaat tijdens het politieverhoor had afgelegd. Het EHRM heeft eerder geoordeeld dat dit strijd opleverde met art. 6 lid 1 EVRM. Abo heeft daarom verzocht om heropening van de strafzaak, maar dit is uiteindelijk niet gehonoreerd. Het EHRM oordeelt dat dit een ‘nieuwe’ klacht betreft. De weigering tot heropening was niet gerechtvaardigd en is daarmee in strijd met art. 6 lid 1 EVRM. Bovendien heeft de beoordeling te lang geduurd, eveneens in strijd met art. 6 EVRM.
13-11-2025
(Zaaknaam: Abo t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2025:1113JUD000377217, EHRC-2025-0249) -
Europees Hof voor de Rechten van de Mens
In oktober 2020 heeft het Poolse Constitutionele Hof geoordeeld dat alle vormen van abortus in strijd zouden zijn met de Grondwet. Voor de inwerkingtreding van deze uitspraak werd geen datum gesteld. A.R. was op dat moment zwanger, maar de foetus had een ernstige afwijking. Vanwege de onzekerheid over de inwerkingtreding durfde zij in Polen geen abortus te ondergaan. Het EHRM overweegt dat door de samenstelling van het Constitutionele Hof geen sprake was van een ‘bij wet ingesteld gerecht’. Ook vanwege de grote onzekerheid over de inwerkingtreding betekent dit dat de inbreuk op art. 8 EVRM niet bij wet was voorzien.
13-11-2025
(Zaaknaam: A.R. t. Polen, ECLI:CE:ECHR:2025:1113JUD000603021, EHRC-2025-0248)
Hof van Justitie van de Europese Unie
-
Hof van Justitie van de Europese Unie
In een Tsjechische strafzaak is de vraag opgekomen of bij het verzamelen van DNA-materiaal en biometrische gegevens alleen onderscheid moet worden gemaakt tussen verdachten en veroordeelden, of dat binnen de groep verdachten nader moet worden gedifferentieerd tussen verdachten en beschuldigden. Het HvJ EU acht dat laatste niet nodig. Daarnaast oordeelt het dat algemene, maar gedifferentieerde regelgeving over DNA-afname een individuele rechterlijke beoordeling kan vervangen. Wel moet ervoor worden gezorgd dat de dataverzameling dan aan alle AVG-vereisten voldoet, ook als die differentiatie vereisen. Nadere uitwerking van wetgeving in rechtspraak kan die differentiatie in voorkomende gevallen verzekeren.
20-11-2025
(Zaaknaam: Policejní prezidium, ECLI:EU:C:2025:905, EHRC-2025-0257) -
Gerecht van de Europese Unie
Amazon EU is in 2023 aangemerkt als ‘zeer groot online platform’ (VLOP) onder de Digitale Dienstenverordening (DSA). Daardoor moet Amazon aan een groot aantal eisen en verplichtingen voldoen, maar dit acht het onterecht vanwege zijn bijzondere functie als ‘marktplaats’. Amazon heeft verzocht de VLOP-grondslag ongeldig te verklaren wegens strijd met een reeks Handvestbepalingen. Het Gerecht acht de kwalificatie en de bijbehorende verplichtingen echter niet onredelijk, ongeschikt of anderszins onevenredig om doelstellingen van consumentenbescherming te realiseren. De ondernemingsvrijheid, het eigendomsrecht, het gelijkheidsbeginsel, de uitingsvrijheid en de privacyrechten worden door art. 33 DSA dan ook niet geschonden.
19-11-2025
(Zaaknaam: Amazon EU/Commissie, ECLI:EU:T:2025:1038, EHRC-2025-0250) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
PB verkoopt een alcoholvrije drank onder de naam Virgin Gin Alkoholfrei, maar er is een geschil ontstaan over de vraag of deze drank wel onder de naam ‘gin’ mag worden verhandeld. Art. 10 lid 7 van verordening 2019/787 stelt hieraan de eis dat het product is bereid door ethylalcohol uit landbouwproducten te aromatiseren. Het presenteren van alcoholvrije gin als ‘gin’ mag daarom niet. Het HvJ EU neemt aan dat dit verbod inbreuk maakt op de ondernemingsvrijheid, maar acht de beperkingen aanvaardbaar vanwege bescherming van consumenten tegen verwarring en bescherming tegen oneerlijke concurrentie van ginproducenten.
13-11-2025
(Zaaknaam: PB Vi Goods, ECLI:EU:C:2025:887, EHRC-2025-0256) -
Hof van Justitie van de Europese Unie
Denemarken heeft het HvJ EU verzocht om onder andere art. 5 van richtlijn 2022/2041 over minimumlonen nietig te verklaren, onder meer wegens strijd met het vereiste van bevoegdheidstoedeling en strijd met enkele Handvestbepalingen. Het HvJ EU oordeelt dat delen van deze bepaling inderdaad in strijd komen met de uitsluiting in art. 153 VWEU van het op EU-niveau regelen van de gebieden ‘beloning’ en ‘verenigingsrecht’. Daarbij legt het deze bepaling uit in overeenstemming met art. 12, 28 en 31 Hv en benadrukt het dat het Handvest gelet op art. 51 lid 2 Hv de Uniebevoegdheden niet uitbreidt.
11-11-2025
(Zaaknaam: Denemarken/Parlement en Raad (Salaires minimaux adéquats), ECLI:EU:C:2025:865, EHRC-2025-0252)