Naar boven ↑

Rechtspraak

P.T. t. Moldavië
Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 26 mei 2020
ECLI:CE:ECHR:2020:0526JUD000112212

P.T. t. Moldavië, EHRM 26 mei 2020, nr. 1122/12

Als blijkt dat iemand wordt uitgezonderd van militaire dienst omdat hij een bepaalde aandoening heeft, zoals HIV-besmetting, dan wordt dat in Moldavië op een formeel certificaat vermeld. Dat certificaat moet bij verschillende gelegenheden worden overgelegd, zoals bij het verkrijgen van een nieuwe ID-kaart. Het Hof stelt vast dat het hier gaat om het openbaar maken van gevoelige persoonlijke informatie, waarvoor de Moldavische regering geen enkele legitieme doelstelling naar voren heeft gebracht. Nu de privacy hierdoor vergaand wordt beperkt, is sprake van een schending van art. 8 EVRM.

Klager is HIV-positief. Toen hij in 2011 een medisch onderzoek moest ondergaan in het kader van de militaire dienstplicht, maakte hij daarvan melding. Daarop werd hem een certificaat overhandigd waaruit bleek dat hij uitgesloten was van militaire dienst onder art. 5 van de relevante medische standaarden (een bepaling waaruit blijkt dat iemand een ernstige aandoening heeft). Dit certificaat moest klager vervolgens ook overleggen bij onder meer het aanvragen van een nieuwe ID-kaart.

Voor het EHRM heeft klager gesteld dat het opnemen van zijn persoonlijke medische informatie in een officieel document dat hij aan verschillende autoriteiten moet overleggen in strijd is met art. 8 EVRM. Het Hof roept allereerst in herinnering dat het systematisch opslaan van informatie over iemands privéleven belangrijke implicaties kan hebben voor de door art. 8 EVRM beschermde belangen, en dat dit nog in het bijzonder geldt wanneer de verwerking intieme en gevoelige informatie betreft, zoals informatie met betrekking tot iemands fysieke of mentale gezondheid. De margin of appreciation die staten toekomt bij het maken van keuzes is vanwege dit grote belang beperkt. Het opnemen van medische informatie in een openbaar en officieel document vormt duidelijk een inmenging in het privéleven. De regering heeft op geen enkele manier een legitiem doel hiervoor aangevoerd of informatie aangereikt waaruit zo’n doel kan worden afgeleid. Het Hof kan dit niet in de plaats van de regering bedenken, en het vermeldt dat het überhaupt moeilijk voorstelbaar is welk legitiem doel gediend zou kunnen worden met het kenbaar maken van de ziekte van klager aan derden op de manier die hier aan de orde is. Daarmee staat al vast dat art. 8 EVRM is geschonden, maar het Hof overweegt ten overvloede nog dat in dit geval ook sprake is van een disproportionele bevoegdheidsuitoefening door de staat. Die onevenredigheid is erin gelegen dat derden iemands gezondheidsstatus kunnen achterhalen, zelfs als ze geen enkel kenbaar belang hebben bij die informatie. Schending art. 8 EVRM.