Naar boven ↑

Rechtspraak

Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Délalföldi Regionális Igazgatóság
Hof van Justitie van de Europese Unie, 14 mei 2020
ECLI:EU:C:2020:367

Országos Idegenrendészeti Főigazgatóság Délalföldi Regionális Igazgatóság, HvJ EU 14 mei 2020, gev. zaken C-924/19 en C-925/19 PPU

Verzoekers in het hoofdgeding zijn vluchtelingen die via de Servisch-Hongaarse transitzone Hongarije probeerden binnen te komen om een asielvraag in kunnen te dienen. Zij zijn gedurende langere tijd verplicht geweest om in de transitzone te verblijven. Nadat Servië op basis van een eerder terugkeerbesluit weigerde om de verzoekers toe te laten, heeft Hongarije het terugkeerland gewijzigd naar de herkomstlanden van verzoekers. Het HvJ oordeelt dat de detentie in een transitzone niet langer dan vier weken mag duren en dat er voldoende rechtsbescherming moet zijn. Het wijzigen van het herkomstland impliceert een nieuw terugkeerbesluit waartegen volwaardige rechtsbescherming moet worden geboden.

Verschillende Afghaanse en Iranese vluchtelingen waren via de Servisch-Hongaarse grens Hongarije binnengekomen en hebben in de transitzone van Röszke asielaanvragen ingediend. Deze verzoeken zijn niet-ontvankelijk verklaard en besloten werd dat klagers terug moesten worden gestuurd naar Servië. Servië weigerde de betrokkenen echter de toegang omdat niet zou zijn voldaan aan de op de terugkeer van betrokkenen van toepassing zijnde vereisten. Daarop heeft Hongarije de bestemming van klagers op de beslissingen tot terugzending aangepast, in die zin dat de oorspronkelijke herkomstlanden werden vermeld. Daartegen wilden klagers procederen, net als tegen de in de tussentijd ook geldende verplichting om in de transitzone te blijven. In verband hiermee zijn verschillende prejudiciële vragen voorgelegd aan het HvJ.

Het HvJ stelt allereerst vast dat de verplichting om in de transitzone te verblijven kan worden gezien als een detentiemaatregel. Het gaat immers om een dwangmaatregel die iemand zijn vrijheid ontneemt (en niet slechts beperkt) en die iemand isoleert van de rest van de samenleving door hem te verplichten om voortdurend in een beperkte en afgesloten omgeving te verblijven. Mensen die zich in deze transitzone bevinden kunnen niet uit eigen vrije wil in welke richting dan ook de zone verlaten. In het bijzonder kunnen zij ook niet terugkeren naar Servië, nu dat als onrechtmatig zou worden gezien door de Servische autoriteiten en dit bovendien zou leiden tot het mislopen van iedere kans op een succesvol asielverzoek in Hongarije.

Op basis van zowel richtlijn 2013/33 en richtlijn 2008/115 is het niet geoorloofd om iemand in detentie te houden om het enkele feit dat de betrokkene niet in staat is om zichzelf te onderhouden. Ook moet er tenminste een grondslag zijn voor de detentie in een gemotiveerde beslissing, waarin ook aandacht wordt besteed aan de proportionaliteit en noodzakelijkheid van de detentiemaatregel. De detentie mag verder niet te lang duren, en zeker niet langer dan 18 maanden. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de eisen uit richtlijn 2013/32, waarin is vastgelegd dat een beslissing over de toelating tot het grondgebied binnen vier weken moet worden genomen. Dat betekent dat een detentie van asielzoekers in een transitzone in ieder geval niet langer mag duren dan vier weken vanaf het moment waarop het asielverzoek is ingediend. Tot slot moet er op basis van de richtlijnen 2013/33 en 2008/115 in ieder geval sprake zijn van volwaardige rechtsbescherming, waarbij de rechter bevoegd moet zijn om de detentiemaatregel te toetsen en bovendien onmiddellijke vrijlating moet kunnen bevelen. Het Hof wijst in dit verband ook op de verplichtingen die in de richtlijnen vastliggen ten aanzien van de materiële aanspraken die een asielzoeker kan doen, bijvoorbeeld als het gaat om huisvesting en levensonderhoud. Ook hier moet een rechterlijke procedure mogelijk zijn om die rechten af te kunnen dwingen.

In de tweede plaats gaat het Hof in op de wijziging van het land van terugkeer in de Hongaarse terugkeerbeslissing. Het is van oordeel dat het hier gaat om een zodanig substantiële wijziging dat van een nieuw terugkeerbesluit moet worden gesproken. Dat betekent dat daarbij ook adequate rechtsbescherming mogelijk moet zijn, ook in het licht van art. 47 Hv, en dat toegang moet worden geboden tot ten minste één rechterlijke instantie. Bij het onderhavige besluit was dit niet mogelijk, wat betekent dat – in het licht van het beginsel van primariteit van EU-recht en het recht op effectieve rechtsbescherming – dat de nationale rechter verplicht is om te verklaren dat hij rechtsmacht heeft om te oordelen over een zaak tegen een terugkeerbesluit waarin het oorspronkelijke land van terugkeer is gewijzigd, zo nodig met buiten toepassing laten van de relevante toepasselijke nationale bepalingen.

Tot slot onderzoekt het Hof de Hongaarse wettelijke grondslag die is aangevoerd om klagers’ asielverzoeken te weigeren. Die wetgeving laat een weigering toe wanneer een klager in Hongarije is gearriveerd via een land dat als ‘veilig transitland’ is gekwalificeerd en waar iemand geen risico loopt voor vervolging of ernstig nadeel en een zekere mate van bescherming is gegarandeerd. Op basis van zijn eerdere rechtspraak overweegt het Hof dat zo’n systeem in strijd is met art. 33 van richtlijn 2008/115. Voor de verwerping van een asielverzoek betekent dit klagers een nieuwe asielaanvraag moeten kunnen indienen.