Naar boven ↑

Rechtspraak

Marina t. Roemenië
Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 26 mei 2020
ECLI:CE:ECHR:2020:0526JUD005046914

Marina t. Roemenië, EHRM 26 mei 2020, nr. 50469/14

Tijdens een radioprogramma werd een voor klager beledigende brief voorgelezen, die achteraf bovendien onjuiste informatie bleek te bevatten. Klagers verzoek om schadevergoeding was niet succesvol, onder meer omdat geen sprake zou zijn geweest van onrechtmatig handelen. Volgens het Hof heeft de nationale rechter de zaak onjuist beoordeeld; hij heeft onder meer onvoldoende rekening gehouden met het feit dat klager geen publiek persoon was en de aantasting van klagers goede naam aanzienlijk was. Schending art. 8 EVRM. Een klacht over rechterlijke partijdigheid wijst het Hof af, omdat die feitelijk ging om de beoordeling van een andere zaak door dezelfde rechter.

Klager woonde samen met zijn ex-vrouw en hun kinderen. In 2011 werd in een satirisch radioprogramma een brief voorgelezen die de zus van klager naar de radiozender had gestuurd en die betrekking had op zijn woonsituatie. Klager en zijn ex-vrouw klaagden daarover bij de radiozender, vooral omdat de uitzending niet vooraf was gegaan door een verzoek om toestemming, wederhoor of verificatie, terwijl de inhoud van de brief volgens hen smadelijk was geweest. Daarop heeft het radiostation gedurende enkele dagen een soort rectificatiebericht uitgezonden en heeft klager ook de mogelijkheid gekregen om repliek te geven; van die mogelijkheid heeft hij geen gebruik gemaakt. Later heeft de ex-echtgenote van klager gevraagd om een schadevergoeding, waarbij zij in het gelijk is gesteld. Ook klager zelf heeft de radiozender gedaagd voor de civiele rechter, waarbij hij aanvankelijk ook een schadevergoeding kreeg toegekend, maar in hoger beroep werd geoordeeld dat geen sprake was geweest van onrechtmatig handelen of schade, en waarbij het klager werd tegengeworpen dat hij zijn recht op repliek onbenut had gelaten. De inmiddels al betaalde schadevergoeding moest klager terugbetalen.

Voor het EHRM heeft klager allereerst gesteld dat de rechters die over de beide zaken van hem en zijn ex-echtgenote oordeelden juist door hun betrokkenheid bij die beide zaken niet helemaal onpartijdig waren. Het Hof stelt echter vast dat het ging om twee duidelijk verschillende zaken, waarin deels iets andere rechtsvragen en ook andere bewijsmiddelen aan de orde waren. Het Hof merkt bovendien op dat klager op nationaal niveau geen wrakingsverzoek heeft ingediend. Geen schending art. 6 lid 1 EVRM.

Klager heeft daarnaast gesteld dat zijn reputatie en privéleven door het afwijzen van de schadeclaim onvoldoende zijn beschermd, in strijd met art. 8 EVRM. Het Hof gaat vervolgens na hoe de nationale rechter de verschillende factoren toepast die het Hof in zijn rechtspraak over bescherming van het privéleven in smaadzaken heeft geformuleerd. Daarbij heeft de nationale rechter onvoldoende aandacht besteed aan het feit dat klager geen publiek persoon was, maar een pure privépersoon. Ook is niet ingegaan op het feit dat klager nooit zelf de media heeft gezocht. De nationale rechter heeft evenmin een contextuele analyse van de uitzending gemaakt waardoor hij kon achterhalen of de kwestie bijdroeg aan een debat over een onderwerp van algemeen belang, terwijl in dit geval de gegeven informatie wel duidelijk beledigend van aard was en beschadigend kon zijn voor klagers goede naam. Ten slotte wijst het Hof erop dat de presentatoren de brief zonder enige voorafgaande verificatie hebben voorgelezen, terwijl achteraf afdoende was gebleken dat het waarheidsgehalte ervan beperkt was. Gelet op een en ander is het Hof van oordeel dat de bevoegde nationale rechter de zaak niet goed heeft beoordeeld en daardoor ook geen goede afweging heeft gemaakt. Daardoor heeft de nationale rechter niet voldaan aan zijn positieve verplichtingen onder art. 8 EVRM; schending van die bepaling.