Naar boven ↑

Rechtspraak

Mándli e.a. t. Hongarije
Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 26 mei 2020
ECLI:CE:ECHR:2020:0526JUD006316416

Mándli e.a. t. Hongarije, EHRM 26 mei 2020, nr. 63164/16

Klagers zijn geaccrediteerde journalisten die geprobeerd hebben om parlementsleden te interviewen in een voor journalisten afgesloten gedeelte van het parlement. Daarop is tijdelijk hun persaccreditatie ingetrokken. Het Hof is van oordeel dat deze inbreuk op de vrijheid van meningsuiting voldoende bij wet is voorzien en het legitieme doel dient van het ordelijk verloop van de parlementaire werkzaamheden. De tijdelijke intrekking was echter onvoldoende met procedurele waarborgen omkleed en is om die reden in strijd met art. 10 EVRM.

Klagers zijn journalisten die een persaccreditatie hadden om in het Hongaarse parlement te werken. In 2016 wilden zij een aantal parlementariërs interviewen in verband met beweerde illegale betalingen aan de Hongaarse Nationale Bank. Zij spraken parlementariërs aan in het voor de pers afgesloten gedeelte van het parlement en zonder daarvoor voorafgaand toestemming te hebben gevraagd. In verband daarmee besloot de voorzitter van het parlement om klagers’ persaccreditatie tijdelijk in te trekken, al werd de duur van die intrekking niet gespecificeerd. Een verzoek van klagers om de persaccreditatie terug te krijgen werd onbeantwoord gelaten en pas na enkele maanden ontvingen zij toestemming om alsnog weer aan het werk te gaan in het parlement. Later hebben klagers nog een aantal keer te maken gekregen met weigeringen om toestemming te krijgen, maar volgens het Hof gaat het daarbij om nieuwe gevallen die niet te maken hebben met de oorspronkelijk ingediende klacht, dus die neemt het niet in behandeling.

Voor het EHRM hebben klagers gesteld dat de tijdelijke intrekking van de persaccreditatie in strijd was met art. 10 EVRM. Het Hof constateert dat er een basis was hiervoor in de interne parlementaire regels, die voldoende toegankelijk waren voor klagers en waarvan zij als journalisten weet konden hebben. Klagers hebben ook de geldigheid van deze regels aangevochten, maar het is niet aan het Hof om zich over de geldigheid van dit soort ‘secundaire wetgeving’ uit te spreken; dat is een aangelegenheid voor de nationale rechter. De regeling was voldoende duidelijk en precies, zodat het Hof aanneemt dat de tijdelijke intrekking een toereikende wettelijke basis had. Ten aanzien van de noodzakelijkheid wijst het Hof op de context van de journalistieke verantwoordelijkheden van klagers. Anders dan de regering heeft betoogd was het onderwerp van de publicaties van klagers een onderwerp van algemeen belang en ging het om een thematiek waarover mensen ook geïnformeerd zouden moeten kunnen worden. Hun doel en werkwijze staat in deze zaak tegenover het belang bij een ordelijk verloop van de parlementaire werkzaamheden. Daarbij merkt het Hof op dat het in dit geval ging om beperking naar locatie van de perswerkzaamheden die vrij beperkt van omvang was. Het Hof velt echter geen definitief oordeel over deze afweging omdat het belangrijker acht dat de tijdelijke intrekking van de persaccreditatie onvoldoende met waarborgen was omkleed. Er bestonden in dit geval, zoals het Hof al eerder in vergelijkbaar zaken tegen Hongarije heeft vastgesteld, onvoldoende mogelijkheden om de maatregel aan te vechten. Verzoeken om opheffing ervan bleven bovendien onbeantwoord. Gelet daarop stelt het Hof een schending van art. 10 EVRM vast.