Naar boven ↑

Rechtspraak

Koulias t. Cyprus
Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 26 mei 2020
ECLI:CE:ECHR:2020:0526JUD004878112

Koulias t. Cyprus, EHRM 26 mei 2020, nr. 48781/12

Na afloop van een procedure voor de Cypriotische Hoge Raad ontdekte klager dat de zoon van de Kamerpresident eerder had gewerkt op hetzelfde advocatenkantoor als de advocaat van zijn tegenpartij. Het EHRM is van oordeel dat bij kleine landen geen excessieve eisen mogen worden gesteld waar het gaat om objectieve onpartijdigheid in gevallen als deze. Wel moet voorafgaand aan de beoordeling van de zaak een bloedverwantschap als deze worden onderkend en moet worden beoordeeld of die in de weg staat aan objectieve beoordeling. Nu dat in dit geval niet is gebeurd, is art. 6 lid 1 EVRM geschonden.

Klager is advocaat en parlementariër in Cyprus. In 2006 is hij vervolgd vanwege smadelijke uitingen die hij zou hebben gedaan over een andere politicus – een voormalig minister en hooggeplaast lid van een politieke partij – tijdens een radio-interview. Gedurende de procedure wisselde de politicus van advocaat, waarbij pas achteraf bleek dat de nieuwe advocaat een partner was bij het advocatenkantoor waar eerder de zoon van de voorzitter van de kamer van de Hoge Raad had gewerkt.

Volgens klager is hierdoor sprake geweest van een schending van art. 6 lid 1 EVRM, nu de voorzitter van de kamer van de Hoge Raad niet onpartijdig geacht kon worden. Het Hof gaat er vanuit dat er in dit geval geen sprake was van subjectieve partijdigheid. Er kan wel een schijn van objectieve partijdigheid ontstaan wanneer een rechter bloedverwantschap heeft met een medewerker van een advocatenkantoor waardoor een partij in een lopende zaak wordt bijgestaan. Of dat het geval is, hangt echter sterk af van de omstandigheden van het geval. Daarbij wijst het Hof erop dat Cyprus een klein land is, waardoor er sneller dan in grotere jurisdicties dit soort verwantschappen kunnen bestaan. Excessief strikte standaarden kunnen daarbij de rechtspleging in gevaar brengen. Gelet op het belang van het voorkomen van de indruk van vooringenomenheid is het ook dan echter wel zaak dat al bij aanvang van de procedure een bepaalde bloedverwantschap wordt onderkend en wordt beoordeeld of het niet beter is om te komen tot verschoning. In het onderhavige geval is pas achteraf duidelijk geworden dat de verwantschap er was en heeft die beoordeling dus niet kunnen plaatsvinden. Daardoor kan een schijn van partijdigheid zijn ontstaan en het Hof is dan ook van oordeel dat er in dit geval onvoldoende procedurele waarborgen zijn geboden. Wel wijst het Hof erop dat na de procedure de gedragscode voor de rechterlijke macht is gewijzigd en sindsdien in een geval als dit verschoning is aangewezen. Schending art. 6 lid 1 EVRM.