Naar boven ↑

Rechtspraak

Astruc t. Frankrijk
Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 15 april 2020
ECLI:CE:ECHR:2020:0415DEC000549915

Astruc t. Frankrijk, EHRM 15 april 2020 (ontv.), nr. 5499/15

Een klager heeft tijdens zijn voorarrest veel goederen de gevangenis binnen weten te smokkelen. Om te kunnen achterhalen hoe hij dat deed is hij tijdelijk in isolatie geplaatst. Bezwaren van klager daartegen zijn ongegrond verklaard. Gelet op de doelstelling van de isolatie, de goede gezondheid van klager en de geboden procedurele waarborgen, is het Hof van oordeel dat artikel 3 EVRM niet is geschonden. De zaak is niet-ontvankelijk wegens kennelijke ongegrondheid van de klacht.

Klager zat in voorarrest in de gevangenis van Fresnes. Het bleek dat hij vanuit de gevangenis telefonische contacten had gehad met mensen waarmee hij niet had mogen spreken, om van hen bepaalde diensten geleverd te krijgen. Later werden er ook verboden zaken in zijn bezittingen aangetroffen. Om dit voor de toekomst te voorkomen werd klager op 11 april 2014 in een isoleercel geplaatst. Daar stelde klager bezwaar tegen in omdat hij stelde dat hij last had van claustrofobie. Op 30 april 2014 werd hij tijdelijk opgenomen op de psychiatrische afdeling van de gevangenis, maar na twee dagen werd hij teruggebracht naar de isoleercel. Op 5 mei 2014 vroeg klager opnieuw om schorsing van de maatregel. Daarop werd nader onderzoek gedaan, ook naar de situatie en bezittingen van klager. In de cel van klager werden verschillende verboden voorwerpen gevonden en in beslag genomen en klager bleek ook al eerder talrijke voedselpakketjes te hebben ontvangen en voor grote bedragen producten in de kantine te hebben gekocht. Dat leidde tot voortzetting van de isolatiemaatregel, maar op 23 juni 2014 werd deze alsnog opgeheven.

Voor het EHRM heeft klager gesteld dat zijn plaatsing in een isoleercel in strijd was met artikel 3 EVRM. Het Hof constateert dat de zaken die hij in zijn bezit had niet echt gevaarlijk waren, maar dat de gevangenisautoriteiten hem vooral in isolatie hadden geplaatst vanwege het feit dat klager er kennelijk in was geslaagd om diensten van buiten de gevangenis te verkrijgen. De solitaire detentie was er vooral op gericht om te kunnen onderzoeken hoe hij de goederen had verkregen en om te kunnen voorkomen dat dat ook daarna kon gebeuren. Klagers gezondheidstoestand vergde volgens het Hof geen nader onderzoek terwijl hij in isolatie zat en deze werd ook voldoende in de gaten gehouden. Het Hof merkt verder op dat klager voldoende procedurele waarborgen zijn geboden in de procedure rondom zijn isolatie en dat de redelijkheid van de maatregel verschillende keren is geëvalueerd. Nu ook nog sprake was van een slechts gedeeltelijke en relatieve isolatie, verklaart het Hof de zaak niet-ontvankelijk als kennelijk ongegrond.