Naar boven ↑

Rechtspraak

Eva Glawischnig-Piesczek
Hof van Justitie van de Europese Unie, 3 oktober 2019
ECLI:EU:C:2019:821
Met annotatie door T. McGonagle

Hof van Justitie van de Europese Unie 3 oktober 2019, zaak C-18/18, ECLI:EU:C:2019:821 (Prechal (Kamerpresident), Biltgen, Malenovský (rapporteur), Fernlund en Rossi)

Een hostingprovider – in dit geval Facebook – kan aansprakelijk zijn, als hij onwettige informatie – of informatie die identiek is aan eerder gepubliceerde onwettige informatie – niet verwijdert op last van een rechter, ook als zo’n rechterlijk bevel wereldwijde gevolgen sorteert. De hostingproviders mogen daarbij geen excessieve verplichtingen worden opgelegd, maar aan die eis wordt voldaan als in een rechterlijk bevel specifiek bepaalde gegevens worden genoemd die in berichten moeten voorkomen en als de hostingprovider niet verplicht is om een autonome beoordeling te verrichten, zodat hij geautomatiseerde technieken en onderzoeksmethoden kan gebruiken.

Eva Glawischnig-Piesczek was lid van het Oostenrijkse parlement als fractievoorzitter voor de Groenen. Op 3 april 2016 heeft een gebruiker van Facebook op zijn persoonlijke pagina een artikel gedeeld uit een Oostenrijks onlinemagazine met de titel ‘Groenen: vóór het behoud van een minimuminkomen voor vluchtelingen’, samen met een korte samenvatting van het artikel, een foto van Glawischnig-Piesczek en een commentaar waarvan de nationale rechter heeft vastgesteld dat het als beledigend kan worden gekwalificeerd voor Glawischnig-Piesczek. Deze bijdrage kon door iedere Facebookgebruiker worden geraadpleegd. In 2016 heeft Glawischnig-Piesczek aan Facebook Ireland gevraagd om dit commentaar te verwijderen, maar dat is niet gebeurd. Zij heeft daarop de rechter gevraagd om Facebook te gelasten om dit alsnog te doen en ook identieke of inhoudelijk overeenstemmende uitingen te verwijderen, waarop Facebook het onmogelijk heeft gemaakt om in Oostenrijk toegang te krijgen tot de oorspronkelijk gepubliceerde inhoud. In verband hiermee heeft de Oostenrijkse rechter een aantal prejudiciële vragen voorgelegd aan het HvJ.
Het HvJ stelt voorop dat een hostingprovider als Facebook Ireland aansprakelijk kan zijn als hij bepaalde opgeslagen informatie niet verwijdert op last van een rechter, tenzij blijkt dat hij geen kennis heeft van de onwettige activiteit of informatie waarom het gaat, of wanneer blijkt dat hij – zodra hij kennis heeft van de informatie of activiteit – prompt actie heeft ondernomen om de informatie te verwijderen of de toegang onmogelijk te maken. In dit geval had Facebook Ireland kennis van de onrechtmatige informatie en heeft de onderneming daarna niet prompt gehandeld om de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. De vraag rijst dan of een nationale rechter hiertoe een bevel kan opleggen. Hierbij speelt art. 15 lid 1 van richtlijn 2000/31 een rol, nu die bepaling eraan in de weg staat dat lidstaten hostingproviders een algemene verplichting opleggen om toe te zien op de doorgegeven of opgeslagen informatie dan wel om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden. Dit verbod geldt echter niet voor toezichtverplichtingen in ‘speciale gevallen’. Een dergelijk geval kan onder meer aan de orde zijn als specifieke informatie is opgeslagen waarvan de inhoud is onderzocht en beoordeeld door een nationale rechter en door die nationale rechter als onwettig is gekwalificeerd. Door de snelle doorgifte in sociale netwerken bestaat er vervolgens een reëel risico dat dit soort onwettige informatie vervolgens door een andere gebruiker van het netwerk wordt weergegeven en gedeeld. Het is daarom gerechtvaardigd dat een rechter van de hostingprovider vereist dat hij ook de opgeslagen informatie die inhoudelijk identiek is aan de eerder onwettig verklaarde informatie verwijdert of de toegang daartoe onmogelijk maakt. Dit mag tegelijkertijd niet alsnog leiden tot een algemene verplichting om actief te zoeken naar onwettige activiteiten. Bij deze informatie gaat het om ‘inhoudelijk overeenstemmende informatie’, dat wil zeggen informatie die een boodschap bevat waarvan de inhoud in wezen ongewijzigd blijft en weinig verschilt van de onwettig verklaarde inhoud. Het doel daarvan is vooral te verhinderen dat de betrokken belangen verder worden geschaad. Dat betekent dat ook informatie moet worden gedekt die inhoudelijk in wezen hetzelfde is, maar iets anders is geformuleerd. In dit verband is ook van belang dat de richtlijn beoogt een evenwicht te vinden tussen reputatiebescherming en de vrijheid van de hostingprovider. De hostingprovider mogen dan ook geen excessieve verplichtingen worden opgelegd, maar aan die eis wordt voldaan als in een rechterlijk bevel specifiek bepaalde gegevens worden genoemd die in berichten moeten voorkomen en als de hostingprovider niet verplicht is om een autonome beoordeling te verrichten, zodat hij geautomatiseerde technieken en onderzoeksmethoden kan gebruiken. De aard van deze maatregelen staat er dus ook niet aan in de weg dat zo’n rechterlijk bevel wereldwijde gevolgen sorteert.

Eva Glawischnig-Piesczek
tegen
Facebook Ireland Limited