Naar boven ↑

Annotatie

P.B.C.D.F. van Sasse van Ysselt
25 maart 2024

Rechtspraak

Executief van de Moslims van België e.a. t. België
Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 13 februari 2024
ECLI:CE:ECHR:2024:0213JUD001676022

Executief van de Moslims van België e.a. t. België (EHRM, 16760/22) – Verbod onverdoofde rituele slacht verenigbaar met godsdienstvrijheid

1. In dit arrest maakt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens voor het eerst duidelijk dat een ‘nationaal’ verbod op onverdoofd (ritueel) slachten is toegestaan. Het Hof acht meer precies aanvaardbaar dat de gewestelijke regelingen van Vlaanderen en Wallonië een verdovingsmethode opleggen die omkeerbaar is en niet tot de dood van het dier kan leiden. Deze regelingen leveren geen strijd op met de artikelen 9 EVRM (vrijheid van godsdienst) en 14 EVRM (discriminatieverbod), aldus het Hof, dat unaniem is in zijn oordeel. Van rechters Koskelo en Kūris gezamenlijk en van rechter Yüksel zijn opinions concordantes opgenomen.

2. Het arrest volgt op een klacht van zeven organisaties die de moslimgemeenschappen in België vertegenwoordigen en van dertien islamitische en joodse gelovigen. Na bijna de gehele nationale procedure te hebben doorlopen, werd hun klacht in 2021 (ook) bij het Grondwettelijk Hof van België afgewezen. Dit Hof kwam tot zijn oordeel, nadat het prejudiciële vragen over de onderliggende kwestie had gesteld aan het Hof van Justitie van de EU in Luxemburg (HvJ EU). Dit oordeelde dat het EU-recht – waar de bescherming van dierenwelzijn en fundamentele rechten op gelijke voet deel van uitmaken – zich niet verzet tegen de bedoelde regelingen.[1] Het arrest van het Europees Hof ligt in het verlengde van deze uitkomsten. Ook het EHRM komt in zijn arrest tot het oordeel dat rituele slacht een manifestatie is van de godsdienstvrijheid, dat de regelingen een beperking daarvan zijn, en dat die beperking een legitiem doel dient en voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het Hof kent België hierbij een ‘niet smalle’ margin of appreciation toe. Bij enkele van deze onderdelen sta ik hierna stil.

3. Het is pas voor de tweede keer dat het Europees Hof met de kwestie van ritueel slachten te maken heeft, en de eerste keer dat het een beperking van de godsdienstvrijheid aanwezig acht. In de enige eerdere zaak, Cha’are Shalom Ve Tsedek t. Frankrijk,[2] achtte het Hof geen sprake van een vrijheidsbeperkende maatregel, omdat het als kernrecht van de rituele slacht als manifestatie van godsdienstvrijheid had aangemerkt de consumptie van ritueel geslacht vlees. De in die zaak getroffen maatregel – een geweigerde vergunning voor rituele slacht door een tweede Joodse instantie – werd niet geacht daarop invloed te hebben, omdat er nog importmogelijkheden van ritueel geslacht vlees waren overgebleven. Dat laatste is ook in deze zaak weliswaar het geval, maar pakt hier anders uit, omdat de regeling waar het om gaat van algemene strekking is.[3] Terecht gaat het Hof evenmin mee met het standpunt van de Belgische regering dat de maatregel niet vrijheidsbeperkend zou zijn, omdat – aldus de regering – de maatregel slechts betrekking zou hebben op een specifiek onderdeel van de rituele slacht, waardoor de ‘kracht en coherentie’ van de geloofsovertuiging niet zou worden aangetast. Het Hof legt nog eens uit dat de toepassing van de criteria ‘voldoende overtuigingskracht, ernst, samenhang en belangrijkheid’ betrekking heeft op de bepaling van de reikwijdte van de godsdienstige overtuigingen. Zodra hier eenmaal aan voldaan is en dit beoordelingsstadium is gepasseerd, ligt het niet op de weg van de staat om te beoordelen wat kan worden gezien als een belangrijk onderdeel van iemands geloofsovertuiging. De eis van neutraliteit en onpartijdigheid van de staat staan daaraan in de weg, aldus het Hof conform zijn eerdere jurisprudentie.[4] Het voegt daaraan toe dat het evenmin op zijn eígen weg ligt om die beoordeling te doen en aldus te bepalen of onverdoofd slachten in strijd zou komen met de religieuze dieetvoorschriften van islamitische en joodse gelovigen. Uit de (parlementaire) discussies rondom het aannemen van de decreetvoorstellen in België is duidelijk geworden dat dit in ieder geval voor een bepaalde groep gelovigen zo is, aldus het Hof. Deze redenering duidt op het leerstuk van de interpretatieve terughoudendheid zoals dat ook in het Nederlandse recht geldt en dat erop neerkomt dat de rechter – en meer algemeen de staat – zich terughoudend moet opstellen inzake geloofskwesties en niet op de stoel van de theoloog moet gaan zitten.[5] Het Hof concludeert dat de regelingen een vrijheidsbeperking opleveren.

4. Deze conclusie sluit aan op die van het HvJ EU, dat zich vanwege de gestelde prejudiciële vragen al eerder over de materie moest uitspreken. Ook in zijn eerdere jurisprudentie achtte het nog geen vrijheidsbeperking aanwezig door slachtregelgeving. Het ging in zijn uitspraken echter om andersoortige maatregelen die werden aangemerkt als technische voorschriften om de rituele slacht – en daarmee de belijdenis van de vrijheid van godsdienst – mogelijk te maken. In één geval bevestigde het HvJ EU dat rituele slachtingen zonder verdoving enkel mogen plaatsvinden in een erkend slachthuis.[6] In het andere geval oordeelde het HvJ EU dat het bio-logo van de Europese Unie niet mag worden gebruikt op producten die afkomstig zijn van dieren die zijn geslacht volgens methoden die vereist zijn voor religieuze riten zonder eerst te zijn bedwelmd, ondanks het feit dat een dergelijke slachting is toegestaan op grond van Europees recht.[7]

5. Het punt van de Belgische regering dat slechts een (technisch) onderdeel van specifieke rituele daad van het slachten aan de orde zou zijn, bleek voor het Luxemburgse Hof in zijn beantwoording van de prejudiciële vragen wèl relevant. Dit houdt verband met de specifieke beperkingssystematiek die het EU-Grondrechtenhandvest eigen is. Zo concludeert het HvJ EU dat de bedwelmingsplicht als vrijheidbeperkende maatregel in overeenstemming is met de ‘wezenlijke inhoud’ van art. 10 van het EU-Grondrechtenhandvest, ‘aangezien de uit die regeling voortvloeiende inmenging beperkt blijft tot één aspect van de specifieke rituele daad van het slachten en de rituele slacht als zodanig niet verboden is’. Aldus weerlegt het EHRM het Belgische argument om aan te geven dat er wel degelijk sprake kan zijn van een beperking, het HvJ EU benut het argument om aan te geven dat de bedwelmingsplicht als vrijheidsbeperking de kern van het recht onaangetast laat. In mijn commentaar bij de HvJ EU-uitspraak wees ik er al op dat zijn conclusie op dit kernrecht-punt zich moeizaam verhoudt tot het eerder genoemde beginsel van de interpretatieve terughoudendheid.[8] Dat beginsel zou in het voordeel kunnen uitpakken van degenen die zouden aanvoeren dat élke vorm van bedwelming – omkeerbaar of niet – het grondrecht in zijn kern aantast. Vanuit dat beginsel bezien is het immers aan de staat noch de rechter te bepalen wat precies onder de manifestatie van een godsdienst moet worden verstaan. Dit vraagstuk is door het HvJ EU vermeden, omdat het aangeeft uit het dossier te kunnen afleiden dat het (partijen) er om gaat dat wordt verzekerd dat de dieren niet worden onderworpen aan enig procedé dat al vóór het slachten de dood tot gevolg kan hebben, en dat die dieren leegbloeden. En ja, aan deze – kennelijk onomstreden – teleologische uitleg van de rituele slacht lijkt de Vlaamse regeling inderdaad geen afbreuk te doen. Deze kennelijke onomstredenheid in de procedure voor het HvJ EU was opvallend, omdat over de al dan niet absolute aard van de verplichting om dieren zonder voorafgaande verdoving te slachten doorgaans veel te doen is in de rechtsliteratuur en in het Nederlandse (politieke) debat over deze kwestie.[9] Naar nu blijkt, speelt dit punt toch óók een rol in Straatsburg, zij het niet in het kader van de vaststelling of sprake is van een beperking, maar in het kader van de subsidiariteit. Daarover straks meer (zie randnummers 9 en 10).

6. De kenbaarheid en voorzienbaarheid van de ‘wettelijke’ basis zijn niet bestreden door klagers. Vermeldenswaard is wel dat de regelingen in Vlaanderen en Wallonië pas tot stand zijn gekomen nadat vele eerdere pogingen waren gestrand. Een eerste federaal voorstel dateert uit 1995, een tweede uit 2004. Dit laatste leidde tot een kritisch advies van de Belgische Raad van State, die het voorstel een disproportionele inbreuk achtte op de godsdienstvrijheid.[10] Vier daaropvolgende federale voorstellen haalden het evenmin. Na de regionalisering van de regelgevende bevoegdheid met betrekking tot dierenwelzijn in 2014, strandden voorts twee Vlaamse en twee Waalse voorstellen, alsmede een voorstel in de regio Brussel, waar nog steeds geen regeling van kracht is. Aldus zijn in België elf voorstellen gestrand, voordat de Vlaamse en Waalse regelingen met overgrote meerderheden werden aangenomen.[11]

7. Nieuw is dat het EHRM zich voor het eerst uitspreekt over de vraag of het beschermen van dierenwelzijn kan worden gerekend tot een van de in art. 9 lid 2 EVRM vervatte doelcriteria. Het Hof onderzoekt deze vraag daarom extra zorgvuldig.[12] Hoewel het specifieke doel niet als zodanig in art. 9 lid 2 EVRM wordt genoemd, heeft het Hof in verschillende eerdere uitspraken over art. 10 en 11 EVRM al wel geoordeeld dat het gaat om een aangelegenheid van algemeen belang die zekere beperkingen van deze grondrechten kan rechtvaardigen.[13] Het Hof wijst er daarnaast op dat de doelstelling van ‘bescherming van de goede zeden’ niet alleen is gericht op de menselijke waardigheid, maar de mens ook moet plaatsen in zijn omgeving; dit betekent dat ook rekening moet worden gehouden met dierenleed. Verder evolueert het begrip van morele opvattingen voortdurend en is het EVRM een levend instrument.[14] Dat betekent niet alleen dat de rechten en vrijheden die erdoor worden beschermd moeten worden uitgelegd ‘in the light of present-day conditions’, maar ook dat dit kan gelden voor de gronden die beperkingen kunnen rechtvaardigen, zoals het HvJ EU in vergelijkbare zin heeft vastgesteld wat betreft de werking van het EU-Grondrechtenhandvest.[15] Voorts let het Hof erg op hetgeen het Belgisch Grondwettelijk Hof hierover heeft gezegd. Het Grondwettelijk Hof heeft vastgesteld dat de bevordering van de bescherming en het welzijn van dieren als wezens met gevoel kan worden beschouwd als een morele waarde die door vele mensen in het Vlaams en het Waals Gewest wordt gedeeld. De decreten zijn bovendien met zeer grote meerderheden in de parlementen van beide Gewesten aangenomen.[16] Er is zelfs een grondwetsvoorstel aanhangig waarmee een nieuw artikel 7bis wordt ingevoegd in de Belgische Grondwet, dat luidt: “In de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden moeten de federale staat, de gemeenschappen en gewesten zich inzetten voor de bescherming en het welzijn van dieren als wezens met gevoel.”[17] Verder wijst het Hof erop dat ook andere verdragsstaten wetgeving hebben aangenomen waarmee het toenemend belang van dierenwelzijn in vergelijkbare zin wordt bevestigd, waaronder Denemarken, dat heeft geïntervenieerd in deze zaak.[18] Dit alles geeft het Hof begrijpelijkerwijs geen reden een andere opvatting uit te spreken dan het Belgische Constitutioneel Hof en het HvJ-EU hebben gedaan. Daardoor kan het ervan uitgaan dat de ‘bescherming van de goede zeden’ naar huidige rechtsopvattingen kan worden gekoppeld aan de bescherming van dierenwelzijn, zodat deze doelstelling beperkingen van de godsdienstvrijheid in beginsel kan rechtvaardigen.

8. Iets anders is of zo’n beperking ook noodzakelijk is in een democratische samenleving. Voor de bepaling daarvan is de omvang van de margin of appreciation relevant. Deze zou volgens het Hof ‘niet smal’ moeten zijn (‘qui ne saurait être étroite’).[19] Het geeft daarvoor drie redenen.[20] In de eerste plaats is relevant dat het hier gaat om de relaties tussen staat en religie, waarover – zo heeft het Hof vaker overwogen – redelijkerwijs verschillend kan worden gedacht in een democratische staat. In de tweede plaats ligt er een weloverwogen keuze ten grondslag aan de twee decreten en heeft er een zorgvuldig parlementair debat over plaatsgevonden. In de derde plaats bestaat er een gebrek aan consensus over deze materie tussen de Europese staten, waarbij tegelijkertijd een geleidelijke ontwikkeling waarneembaar is in de richting van een betere bescherming van het dierenwelzijn.

9. De ruimte voor de nationale autoriteiten voor het maken van eigen afwegingen is echter niet onbeperkt. Het EHRM heeft de taak de redelijkheid van de gemaakte belangafweging te beoordelen. Ten aanzien daarvan bestaat er een relevant verschil met die van het HvJ EU. In de beoordeling van het EHRM gaat het namelijk niet om een afweging van gelijkwaardige (fundamentele) rechten, maar om de vaststelling of de beperking van een fundamenteel recht gerechtvaardigd is, rekening houdend met de margin of appreciation.[21] Om de redelijkheid van de nationale afweging te beoordelen, voert het EHRM eerst en vooral een procedurele toets uit op de kwaliteit van de parlementaire debatten. Er heeft een uitgebreid wetgevingsproces ten grondslag gelegen aan het aannemen van de decreten. In dat wetgevingsproces zijn de betrokken belangen zo zorgvuldig mogelijk geïdentificeerd en meegewogen. Daarbij is ook het belang van de godsdienstvrijheid uitdrukkelijk betrokken. Als een dergelijke wetgevende keuze ook al is getoetst door een nationale rechter, in overeenstemming met de door het EHRM in zijn rechtspraak geformuleerde beginselen, kan het Hof zijn oordeel hiervoor alleen in de plaats stellen als daar zwaarwegende redenen voor bestaan. In dit geval is daarbij ook van belang dat er al een rechterlijke dialoog heeft plaatsgevonden tussen de nationale rechters en het HvJ-EU. Het Hof acht de in het licht van het arrest van het HvJ-EU gedane uitspraak van het Grondwettelijk Hof evident zorgvuldig. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat het Grondwettelijk Hof de ruimte heeft gepakt die het HvJ EU hem in zijn prejudiciële uitspraak toeliet bij de beoordeling van het algemeen belangcriterium en het evenredigheidsbeginsel in art. 52 EU-Handvest Grondrechten. Bij het evenredigheidsbeginsel komt de lidstaten volgens het HvJ-EU een zeer ruime beoordelingsmarge toe, mede gelet op de jurisprudentie van het EHRM (!) in religiezaken en het gebrek aan consensus tussen de lidstaten over de te hanteren aanpak ten aanzien van ritueel slachten. Juist dat gebrek aan consensus heeft volgens het HvJ EU geleid tot de vaststelling van art. 4 en 26 van de EU-Verordening, die enige ruimte laten aan de lidstaten voor het stellen van (aanvullende) voorschriften bij de slacht. Hoe dan ook heeft het Grondwettelijk Hof uitvoerig rekening gehouden met de vereisten van art. 9 EVRM zoals uitgelegd door het EHRM, wat strookt met het subsidiariteitsbeginsel zoals dat al lang geldt en sinds enkele jaren ook via Protocol 15 in de Preambule van het EVRM tot uitdrukking is gebracht.

10. Verder is voor de belangafweging relevant dat voor het Hof duidelijk is dat de betrokken decreten gebaseerd zijn op een wetenschappelijke consensus over het feit dat voorafgaande verdoving de beste manier is om het lijden van slachtdieren te verzachten.[22] De wetgever heeft vastgesteld dat er geen andere manieren beschikbaar waren om dit doel te bereiken. Voor zover dergelijke alternatieven wel zouden kunnen bestaan, acht het Hof het niet op zijn pad liggen om tot een ander oordeel te komen dan de wetgever. Het Hof onderkent dat de in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest nog bestaande uitzondering mogelijk twijfels kan oproepen aan de consistentie en het gewicht dat de wetgever toekent aan het beschermen van dierenwelzijn. In een federaal systeem kan hierin echter niet worden gelezen dat het belang objectief gezien als minder groot moet worden gezien. De redenering wat betreft de federale structuur is begrijpelijk, maar wat betreft de wetenschappelijke consensus sluipt via de achterdeur van de procedurele toetsing in het kader van de margin of appreciation in feite een interpretatieve bemoeizorg binnen die zich moeilijk verhoudt met de vereiste neutraliteit. Er mag dan een wetenschappelijke consensus zijn ten aanzien van het minste dierenleed, voor andere betrokkenen dan de geconsulteerde personen maakt reversibele/non-letale verdoving het rituele karakter van de slacht betekenisloos; ‘een beetje’ ritueel slachten bestaat (voor hen) niet. Aldus hanteert het Hof hier een interpretatieve terughoudendheid ten aanzien van de wetenschappelijke beoordeling en de weging daarvan door de nationale autoriteiten in plaats van ten aanzien van het karakter van de religieuze uiting.[23] Terecht wijst met name ook rechter Yüksel hier op in zijn opinion concordante.[24] Daarnaast wijst hij erop, met dissenters Kūris en Koskelo, dat het Hof op dit onderdeel ten onrechte als vertrekpunt van redenering neemt de vraag of er minder restrictieve maatregelen mogelijk waren om het doel te bereiken, in plaats van de vraag of de wetgever – gegeven de getroffen maatregelen – heeft gehandeld binnen het kader van zijn beoordelingsmarge.[25]

11. Al met al laat deze zaak zien dat het Hof van goeden huize moet komen om af te wijken van grondig gemotiveerde nationale constitutionele en Luxemburgse rechtspraak over grondig voorbereide nationale regelgeving. Evenals het HvJ EU zet het EHRM zwaar in op subsidiariteit en de living-instrument-doctrine in het voordeel van dierenwelzijn. Dit heeft mede tot gevolg dat het voor de beoordeling van de (nationale) belangenafweging kennelijk niet zo veel uitmaakt of het dierenwelzijn nu meer (EU-recht) of minder expliciet is verankerd (EVRM); in beide gevallen legt de godsdienstvrijheid minder gewicht in de schaal. Eveneens opvallend is dat het reversibel non-letaal bedwelmen wordt gezien als een proportioneel middel, terwijl het voor betrokkenen een contradictio in terminis zal zijn. De pointe van grondrechten, namelijk dat bescherming juist ook minderheidspraktijken betreft, gaat in dit geval slechts beperkt op. Met hun arresten dragen beide Hoven bij aan de verdergaande secularisering van Europese samenlevingen, mogelijk ook buiten dierenwelzijnskwesties om. De vraag is of dat ook zou zijn geweest als de Belgische belanghebbenden kennis en lering hadden getrokken van de hierna te bespreken Nederlandse praktijk.

12. Naar aanleiding van het Straatsburgse oordeel herhaalde de Vlaamse minister van Dierenwelzijn Ben Weyts de duiding die hij eerder al gaf van het Luxemburgse oordeel, namelijk ‘dat nu in héél Europa de deur openstaat voor een verbod op onverdoofd slachten’.[26] Hoewel dat zo’n vaart niet zal lopen, zal een toenemend aantal lidstaten dat probeert de uitzonderingsmogelijkheid voor bedwelming bij de rituele slacht in te perken zich ook door dít arrest gesteund kunnen voelen. Dat zal ook gelden voor de initiatiefnemers daartoe in Nederland, zodra het arrest – eventueel na beroep – definitief wordt. Sinds december 2019 wacht het (tweede) initiatiefvoorstel dat strekt tot opheffing van de uitzondering van de bedwelmingsplicht voor het ritueel slachten nog steeds op verdere behandeling.[27] In haar voorstel gaat de initiatiefneemster ervan uit dat een ongeclausuleerd algeheel verbod op (onbedwelmde) rituele slacht verenigbaar is met de godsdienstvrijheid, zoals vastgelegd in art. 6 Grondwet, art. 9 EVRM, en Verordening (EG) nr. 1009/2009 in samenhang met art. 10 Hv. De Afdeling advisering van de Raad van State ziet dat anders, wegens gebrek aan de vereiste noodzakelijkheid.[28] Tijdens een hoorzitting in de Tweede Kamer op 25 september 2019 zag een merendeel van rechtswetenschappers vooral een belemmering voor het voorstel in de EU-Verordening in samenhang met art. 10 Hv en art. 9 EVRM. Ook de fracties van de VVD, CDA, CU, D66, GroenLinks, SP en DENK waren kritisch over het voorstel, blijkens hun inbreng voor het verslag van 12 december 2019.[29] Het eerdere initiatiefwetsvoorstel-Thieme met dezelfde strekking was verworpen op 19 juni 2012 (51 stemmen tegen, 21 voor), omdat de Eerste Kamer – in lijn met de Afdeling advisering van de Raad van State – het voorstel een te grote inbreuk op de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging achtte.[30] Daaraan kon voor de Eerste Kamer niet afdoen dat toenmalig Staatssecretaris Bleker van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie met het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap (NIK), het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) en de Vereniging van Slachterijen en Vleesverwerkende bedrijven (VSV) voorafgaand aan de stemmingen een convenant ‘onbedwelmd slachten volgens religieuze riten’ had afgesloten om te komen tot verbeteringen op het punt van het dierenwelzijn bij het proces van het ritueel slachten.[31] Na verwerping van het wetsvoorstel werden ook de inhoud en uitvoering van het convenant na een eerste evaluatie onvoldoende geacht. Deze conclusie heeft geleid tot een aanvulling van het convenant[32] en tot het uitwerken van de betreffende afspraken in het Besluit houders van dieren, in werking getreden op 1 januari 2018.[33] Dit Besluit is aan beide Kamers voorgehangen, maar zonder bespreking aangenomen; het aangepaste convenant zoals verwerkt in het Besluit zou worden geëvalueerd in 2021. Desondanks maakte initiatiefneemster haar wetsvoorstel al aanhangig. Weliswaar zullen de inhoud en strekking van het onderhavige arrest, die lijken af te wijken van de rechtsgeleerde en politieke communis opinio in Nederland over de verenigbaarheid van verdovingsmodaliteiten bij de rituele slacht met het Unierecht en artikel 9 EVRM, een belangrijke steun zijn in de rug van de initiatiefneemster. Daarmee is echter de verenigbaarheid van het initiatiefvoorstel met de godsdienstvrijheid niet zonder meer gegeven, zo gaf ik ook aan in mijn annotatie bij het arrest van het HvJ EU. Zo zal een beoordeling door het EHRM van de noodzakelijkheid en van de belangenafweging in Nederland anders kunnen luiden dan in België, onder andere gelet op het voornoemde Convenant over deze materie en de uitkomsten van de evaluatie ervan in 2021. Daaruit blijkt dat het Convenant doelmatig en doeltreffend is en goed functioneert in de praktijk, wat leidt tot de – door de betroken partijen overgenomen – aanbeveling om het Convenant in stand te houden.[34] Kortom, een redelijk alternatief waarmee verschillende belangen worden verenigd en dat leidt tot een geringere inperking van de godsdienstvrijheid dan een wettelijke bedwelmingsplicht. Niettemin zal het EHRM er geen strobreed aan in de weg leggen, vanwege voornamelijk de toegekende ‘niet smalle’ beoordelingsruimte, waarbij het Hof het niet op zijn weg ziet liggen de kwaliteit van subsidiaire alternatieven te beoordelen, mits is voldaan aan de diverse in deze zaak gestelde procedurele eisen.

Prof. mr. dr. P.B.C.D.F. van Sasse van IJsselt
Bijzonder hoogleraar recht en religie, Rijksuniversiteit Groningen; onderzoeker staats- en bestuursrecht, VU Amsterdam; raadadviseur Raad van State. Geschreven op academische titel


[1] Centraal Israëlitisch Consistorie van België e.a., HvJ EU (GK) 17 december 2020, zaak C-336/19, ECLI:EU:C:2020:1031, AB 2021/113 m.nt. P.B.C.D.F. van Sasse van IJsselt, «EHRC» 2021-0005 m.nt. E. Verniers.

[2] Cha’are Shalom Ve Tsedek t. Frankrijk, EHRM 27 juni 2000, nr. 27417/95, ECLI:CE:ECHR:2000:0627JUD002741795, AB 2001/116 m.nt. B.P. Vermeulen, «EHRC» 2000/66 m.nt. J.H. Gerards, par. 82.

[3] Par. 83.

[4] Par. 85. Vgl. Eweida e.a. t. Verenigd Koninkrijk, EHRM 15 januari 2013, nr. 48420/10, ECLI:CE:ECHR:2013:0115JUD004842010, «EHRC» 2013/67 m.nt. Gerards, par. 81; S.A.S. t. Frankrijk, EHRM (GK) 1 juli 2014, nr. 43835/11, ECLI:CE:ECHR:2014:0701JUD004383511, «EHRC» 2014/208 m.nt. P.B.C. van Sasse van IJsselt, par. 55; De Wilde t. Nederland, EHRM 9 november 2021 (ontv.besl.), nr. 9476/19, ECLI:CE:ECHR:2021:1109DEC000947619, EHRC Updates 28 januari 2022, m.nt. P.B.C.D.F. van Sasse van IJsselt, par. 51.

[5] In de Nederlandse context heeft dit leerstuk vooral ook betekenis gekregen in het licht van het beginsel van scheiding van kerk en staat. Over het leerstuk bestaat de nodige – ook oudere – jurisprudentie, zie o.a. o.a. HR 9 april 2010 (SGP-zaak), ECLI:NL:HR:2010:BK4549, r.o. 4.5.5. Zie over het leerstuk o.a. A. Vleugel, Het juridisch begrip van godsdienst, Deventer: Wolters Kluwer 2018, onder andere p. 67-72, met verwijzingen, en B.P. Vermeulen & B. Aarrass, ‘De reikwijdte van de vrijheid van godsdienst in een pluriforme samenleving’, in A.J. Nieuwenhuis & C.M. Zoethout (red.), Rechtsstaat en religie, Nijmegen: WLP 2009, p. 66-72.

[6] Liga van Moskeeën en Islamitische Organisaties Provincie Antwerpen e.a., HvJ EU (GK), 29 mei 2018, zaak C-426/16, ECLI:EU:C:2018:335, «EHRC» 2018/187, m.nt. Overbeeke; NTER 2018, nr. 7-8, m.nt. M. Beijer.

[7] OEuvre d’assistance aux bêtes d’abattoirs, HvJ EU, 26 februari 2019, zaak C-497/17, ECLI:EU:C:2019:137.

[8]  Liga van Moskeeën, HvJ EU (GK), aangehaald (C-426/16), overwegingen 47-51; conclusie A-G Wahl van 30 november 2017, Liga van Moskeeën, aangehaald (C-426/16), overwegingen 55-57)

[9] Vgl. A. Vleugel, Het juridisch begrip van godsdienst, Deventer: Kluwer 2018, p. 67-88, 149-170; G. van der Schyff, ‘Onverdoofd ritueel slachten getoetst aan het EVRM. Het Deens verbod als Europees vraagstuk’, Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid 2015 (6) 1.

[10] Avis du Conseil d’État no 40.350/AG du 16 mail 2006, zie paragraaf 22.

[11] Het Vlaamse voorstel is aangenomen met 88 stemmen voor, één onthouding en zonder tegenstemmen (par. 26), het Waalse voorstel met 66 stemmen voor, drie onthoudingen en eveneens zonder tegenstemmen (par. 29).

[12] Par. 92.

[13] Zie wat betreft artikel 10 EVRM: PETA Deutschland t. Duitsland, EHRM 8 november 2012, nr. 43481/09, par. 47; Tierbefreier e.V. t. Duisland, EHRM 16 januari 2014, nr. 45192/09, ECLI:CE:ECHR:2014:0116JUD004519209, par. 59. Zie wat betreft artikel 11 EVRM: Friend et autres c. Royaume-Uni ((déc.), 24 november 2009, nr. 16072/06, par. 50.

[14] Paragrafen 96-97.

[15] Vgl. Centraal Israëlitisch Consistorie van België e.a., HvJ EU (GK), aangehaald (zaak C-336/19), par. 77.

[16] Par. 98.

[17] Zie par. 32: Dans l’exercice de leurs compétences respectives, l’État fédéral, les communautés et les régions veillent à la protection et au bien-être des animaux en tant qu’êtres sensibles.

[18] Par. 39: o.a. Duitsland (behalve tijdelijke uitzonderingen en onder strikte voorwaarden), Cyprus, Denemarken, Finland (provincie Åland), IJsland, Noorwegen, Verenigd Koninkrijk, Slovenië (uitgezonderd de slacht van gevogelte, konijnen en hazen door particulieren), Zweden, Zwitserland (uitgezonderd gevogelte) evenals  – buiten de verdragsstaten – Nieuw Zeeland hebben een algemeen verbod geïntroduceerd op onverdoofde slacht. Par. 40: Daarnaast is in Estland, Finland (andere provincies), Litouwen en Slowakije de praktijk van post-cut stunning, waarbij het dier wordt bedwelmd op het moment van of net na het slachten, verplicht voor ritueel slachten. Verder wordt gesignaleerd dat er een wetsvoorstel in Nederland aanhangig is, en dat Nederland en Polen de export van vlees van onbedwelmd geslachte dieren niet toe staan.

[19] Par. 106.

[20] Paragrafen 104-106.

[21] Par. 107.

[22] Par. 116, mede in relatie tot par.  25.

[23] Par. 119.

[24] Opinion concordante de la juge Yüksel, par. 7.

[25]  Opinion concordante de la juge Koskelo, à laquelle se rallie le juge Kuris, par. 7; opinion concordante de la juge Yüksel, par. 5.

[26] NRC 13 februari 2024 / NRC 17 december 2020.

[27] Initiatiefvoorstel-Thieme van 16 maart 2018, Kamerstukken onder nummer 34908, later overgenomen door Kamerlid Ouwehand.

[28] Kamerstukken II 2018/19, 34908, nr. 4, p. 6.

[29] Kamerstukken II 2019/20, 34908, nr. 8.

[30] Kamerstukken onder nummer 31571.

[31] Stcrt. 2012, 13162, 2 juni 2012.

[32] Stcrt. 2017, 41228, 18 juli 2017.

[33] Stb. 2017, 326.

[34] Deloitte Monitor, Evaluatie Convenant onbedwelmd slachten volgens religieuze rite, Min LNV, 15 november 2021, bijlage bij: Kamerstukken II 2021/22, 28286, nr. 1232 (brief Minister van LNV van 20 december 2021).